Verdachte heeft in wisselende samenstelling met een of meer medeverdachten ernstige strafbare feiten gepleegd waarbij door verdachte veelvuldig gebruik is gemaakt van fysiek geweld en bedreiging met geweld, al dan niet in combinatie met het gebruik van een vuurwapen en een mes. G
Wetboek van Strafvordering
Art. 341 Sv
Genoemd in 153 uitspraken · Officiële wettekst
153 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 6 · live
1. Verzuim te beslissen op een beroep op psychische overmacht. 2. Ontoereikende verwerping beroep op noodweer(exces). Ad 1. Het Hof heeft het bedoelde beroep op psychische overmacht niet opgevat als een inzake feit 2 gevoerd verweer waarop uitdrukkelijk zou moeten worden beslist.
“Salduz-verweer”. Het Hof had er blijk van moeten geven te hebben onderzocht of verdachte is gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat voorafgaande aan het eerste politieverhoor en of hem de gelegenheid is geboden van dat recht gebruik te maken dan wel of hij daarvan
Medeplegen van doodslag. Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, strafbaar gesteld bij artikel 55, eerste lid van de Wet wapens en munitie
Verzoek tot voeging in dossier van een p-v van de t.z. in een andere zaak. ’s Hofs toewijzing van dat verzoek van de AG geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is, mede gelet op hetgeen de raadsman van verdachte dienaangaande ttz. heeft aangevoerd, toereikend gemotiv
Bewijs. Het Hof heeft de bewezenverklaring mede doen steunen op een p-v van de R-C inhoudende een verklaring van verdachte, afgelegd als getuige in de strafzaak tegen een medeverdachte, welk p-v deel uitmaakte van het dossier in de zaak van verdachte. Het gaat i.c. om een elders
HR: 81 RO.
Regels inzake de ad informandum gevoegde feiten bij gemachtigde raadsman a.b.i. art. 279 Sv. Mede in aanmerking genomen dat een gemachtigd raadsman niet optreedt als vertegenwoordiger van verdachte in die zin dat zijn verklaringen in bewijsrechtelijke zin niet kunnen worden aange
Bewijsklacht. De kwalificatie en het aanhalen van art. 416 Sr valt niet te rijmen met de omstandigheid dat het Hof verdachte van opzetheling heeft vrijgesproken. Voorts strijden de nadere bewijsoverweging en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen met elkaar.
Vormverzuim. Het Hof heeft kennelijk - en niet onbegrijpelijk - geoordeeld dat de beweerde onregelmatigheden rond de totstandkoming van de door verdachte in België afgelegde verklaringen niet hebben plaatsgevonden i.h.k.v. het voorbereidend onderzoek van de in deze zaak tenlasteg
Motivering beslissing op vordering b.p. De opvatting dat t.a.v. de motivering van een op een vordering van een b.p. te nemen beslissing “aansluiting dient te worden gezocht” bij het motiveringsvoorschrift van art. 359.2 2e volzin Sv, is niet juist. Het ook in h.b. van toepassing
Art. 359.2 Sv. Het aangevoerde m.b.t. de verklaringen van getuige X kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie t.o.v. het hof naar voren is gebracht. Het hof is van dit uitdr
Bekennende verdachte, art. 359.3 Sv. HR herhaalt relevante overwegingen uit HR NJ 2006, 542. Het hof, dat deels heeft volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen, heeft kennelijk geoordeeld dat verdachte het bewezenverklaarde, inhoudende dat hij tezamen en in vereniging met and
Conclusie AG over nadere bewijsoverwegingen en de daaraan in HR NJ 2004, 165 gestelde eisen. I.c. heeft het hof ten onrechte in de nadere bewijsoverweging verwezen naar een verklaring van een medeverdachte die is afgelegd in diens eigen zaak hetgeen geen wettig bewijsmiddel is in
Minerva-zaak. 1. Schuld ex art. 308 Sr. 2. Spelexceptie. 3. Pleitnota geen wettig bewijsmiddel. Ad 1. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het door het slachtoffer bekomen zwaar lichamelijk letsel - i.c. het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig, onac
Minerva-zaak. 1. Schuld ex art. 308 Sr. 2. Spelexceptie. 3. Pleitnota geen wettig bewijsmiddel. Ad 1. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de schuld aan het door het slachtoffer bekomen zwaar lichamelijk letsel - i.c. het bewezenverklaarde aanmerkelijk onvoorzichtig, onac
Ex art. 342.2 Sv kan het bewijs dat verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op de verklaring(en) van één getuige. Dat verdachte de feiten 4 en 5 heeft begaan, heeft het hof afgeleid uit 2 verklaringen van getuige X. De b
Het (namens verdachte voorgestelde) middel klaagt over de afwijzing van het ter terechtzitting door de A-G bij het hof gedane verzoek, door het hof kennelijk opgevat als een een vordering, tot nader onderzoek. Het hof, overwegende dat het verzoek wordt afgewezen “omdat de noodzaa
Vuurwerkramp Enschede. 1. HR leest de bewezenverklaring en kwalificatie van feit 4 (toegesneden op art. 158.3 (oud) Sr) aldus verbeterd dat deze uitsluitend ziet op feitelijke leiding geven, nu de bewijsmiddelen niets inhouden omtrent het opdracht geven aan de bedoelde feiten. Ee
HR: Het oordeel van de rechter dat een verklaring van de verdachte kennelijk leugenachtig is en afgelegd om de waarheid te bemantelen, moet zijn grondslag vinden in een of meer andere voor het bewijs gebezigde bewijsmiddelen. 's Hofs oordeel dat de verklaringen van verdachte kenn
Het bewijs dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft begaan kan ingevolge art. 341 lid 4 Sv niet uitsluitend worden aangenomen op de opgaven van de verdachte.
De stelling dat een tenlastelegging innerlijk tegenstrijdig is indien primair een ander feitencomplex wordt tenlastegelegd dan subsidiair, vindt geen steun in het recht. Geen rechtsregel staat er immers aan in de weg dat de OvJ een feit dat cumulatief had kunnen worden tenlastege
-
-
-