Verdenking zedendelict. Bewijsminimumvoorschriften artikelen 341 lid 4 Sv en 342 lid 2 Sv. Geen kwalitatief ondersteunend bewijsmateriaal (bewijs uit onafhankelijke bron). Vrijspraak. Niet-ontvankelijkverklaring benadeelde partij.
Wetboek van Strafvordering
Art. 341 Sv
Genoemd in 153 uitspraken · Officiële wettekst
153 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 2 · live
Strafzaak 26Marengo. Veroordeling van kroongetuige tot tien jaar gevangenisstraf voor deelneming aan een criminele organisatie, medeplegen van een poging tot moord, medeplichtigheid aan moord en voortgezette handeling van voorbereiding van moord en het medeplegen van moord. Toets
Onderzoek Taxus. Veroordeling tot 9 jaar en 3 maanden gevangenisstraf voor onder meer de invoer van hasj, het produceren van harddrugs en het plegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs en deelname aan een criminele organisatie. Het openbaar ministerie had ee
Onderzoek Taxus. Veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf voor onder meer het plegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs, het leiden van een criminele organisatie, poging tot omkoping van een douaneambtenaar, het voorhanden hebben van een vuurwapen en het wi
Onderzoek Taxus. Veroordeling tot 12 jaar gevangenisstraf voor onder meer de invoer van 11.000 kilo hasj, 65 kilo cocaïne, 45 kilo MDMA en 15 kilo heroïne, de productie van methamfetamine, het plegen van voorbereidingshandelingen voor de handel in harddrugs, witwassen, deelname a
Vrijspraak plegen ontuchtige handelingen met minderjarige prostituee. Geen bevoegdheid voor doorzoeking voertuig en kennisneming inhoud mobiele telefoon van verdachte. Onherstelbare vormverzuimen. Onvolledig procesdossier. Bewijsuitsluiting op grond van onzorgvuldig handelen van
Conclusie AG. Art. 140a.1 Sr. Deelneming terroristische organisaties Al-Shabaab in Somalië en Al Qaida op het Arabisch Schiereiland (AQAP) in Jemen. 1a: klacht dat bewezenverklaring feit 1 m.b.t. AQAP i.s.m. art. 341 lid 4 Sv uitsluitend op opgaven vd is aangenomen. 1b: bewijskla
Veroordeling art. 6 WVW. De verdachte heeft een verkeersongeval veroorzaakt door zich aanmerkelijk onoplettend te gedragen in het verkeer. De verdachte is na een bijzondere manoeuvre, waarbij hij als bestuurder van een vrachtauto om een speciaal lengtetransport moest heenrijden,
Medeplegen van afpersing met geweld (317 Sr) en bedreiging met brandstichting (285 Sr). Afpersing door dreigen met geweld (brandstichting) van een clubhuis van een motorclub door leden van een andere motorclub.
Conclusie Advocaat-Generaal. Herzieningszaak Arnhemse Villamoord. Veroordeling door het hof in 2000 wegens een overval op een woning op 2 september 1998 waarbij een persoon om het leven is gekomen en een ander gewond is geraakt. Als novum is aangevoerd de intrekking van de (beken
Conclusie Advocaat-Generaal. Herzieningszaak Arnhemse Villamoord. Veroordeling door het hof in 2000 wegens een overval op een woning op 2 september 1998 waarbij een persoon om het leven is gekomen en een ander gewond is geraakt. Als novum is aangevoerd de intrekking van de (beken
Conclusie Advocaat-Generaal. Herzieningszaak Arnhemse Villamoord. Veroordeling door het hof in 2000 wegens een overval op een woning op 2 september 1998 waarbij een persoon om het leven is gekomen en een ander gewond is geraakt. Als novum is aangevoerd de intrekking van de (beken
Conclusie Advocaat-Generaal. Herzieningszaak Arnhemse Villamoord. Veroordeling door het hof in 2000 wegens een overval op een woning op 2 september 1998 waarbij een persoon om het leven is gekomen en een ander gewond is geraakt. Als novum is aangevoerd de intrekking van de (beken
Conclusie Advocaat-Generaal. Herzieningszaak Arnhemse Villamoord. Veroordeling door het hof in 2000 wegens een overval op een woning op 2 september 1998 waarbij een persoon om het leven is gekomen en een ander gewond is geraakt. Als novum is aangevoerd de intrekking van de (beken
Conclusie Advocaat-Generaal. Herzieningszaak Arnhemse Villamoord. Veroordeling door de rechtbank in 1999 wegens een overval op een woning op 2 september 1998 waarbij een persoon om het leven is gekomen en een ander gewond is geraakt. Als novum is aangevoerd de intrekking van de
Verdenking van ontuchtige handelingen met 2 minderjarigen. Verdachte bekent beide feiten. Ook dan moet worden voldaan aan het wettelijk vereiste bewijsminimum (steunbewijs). Dat ontbreekt in één geval; daarom voor dat feit vrijspraak. Bij de strafoplegging is rekening gehouden me
Tjeukemeerzaak. Het slachtoffer is vermoord. Verdachte wordt vrijgesproken van medeplegen van deze moord maar wel veroordeeld voor medeplichtigheid aan deze moord. Ook wordt hij veroordeeld voor het verbergen van de sporen van het misdrijf met de bedoeling het zo moeilijk mogelij
Profijtontneming, hennepteelt. Art. 511e.1 Sv en art. 6 EVRM. Hof heeft bij de schatting van het w.v.v. in afwijking van de ontnemingsvordering door betrokkene uit het maken van foto's van hennepplanten verkregen inkomsten (royalty’s) betrokken. Verrassingsbeslissing? Ex art. 511
Publicatie arresten Hoge Raad die zijn afgedaan met art. 80a RO, inclusief schriftuur n.a.v. een wetenschappelijk onderzoek. Zie NJB 2018/301, afl. 6, p. 404-412.
Vier (destijds) minderjarige verdachten zijn door de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, veroordeeld voor het plegen van openlijk geweld tijdens de rellen die in Geldermalsen op 16 december 2015 hebben plaatsgevonden. Bij één van de minderjarige verdachten is een deels v
Overval op bloemenkiosk, gepleegd in 2010. Minderjarige daders pas in 2014 na anonieme melding verhoord. Veroordeeld tot werkstraf en toewijzing van vordering benadeelde partij.
Economische zaak. Slagend middel over verjaring.
Verdachte is wegens het plegen van seksueel misbruik met meer dan twintig kinderen op onder meer een onderwijsinstelling, een kinderdagverblijf, de scouting en een zorginstelling /stichting voor mensen met een verstandelijke beperking. De rechtbank legt TBS met dwangverpleging op
Art. 344 aanhef onder 2 Sr, art. 110 Faillissementswet. “Bij verificatie van de schuldvorderingen in geval van faillissement”. Nu de indiening ter verificatie van de vordering van de schuldeiser bij de curator o.g.v. art. 110 Fw de handeling is waarmee de schuldeiser aanspraak ma
HR: art. 81 RO.