Prejudiciële beslissing HR, art. 553 Sv. 1. Prejudiciële procedure in strafzaken. 2. Beantwoording vragen over o.a. betekenis van (internationale of interstatelijke) vertrouwensbeginsel voor beoordeling van rechtmatigheid en betrouwbaarheid van resultaten die zijn verkregen met t
Wetboek van Strafrecht
Art. 73 Sr
Genoemd in 9 uitspraken · Officiële wettekst
9 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Belastingfraude. Handel in aandelen van ‘winstvennootschappen’. O.m. deelneming aan een criminele organisatie dat tot oogmerk had het doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en het omkopen van andere personen dan ambtenaren, ontvankelijkheid OM o.g.v. verjaring t.a.v.
Verjaringstermijn ex art. 72.2 Sr en reikwijdte art. 73 Sr. Het tenlastegelegde betreft een overtreding die heeft plaatsgevonden op 16-1-99. Op 6-10-05 heeft het HvJ EG uitspraak gedaan n.a.v. het arrest van de HR van 23-12-03 (LJN AL4343). Blijkens de wetsgeschiedenis strekt art
Prejudiciële beslissing HR, art. 553 Sv. Beantwoording prejudiciële vraag als strafvorderlijke procedure reeds is beëindigd en verhouding tussen prejudiciële beslissing HR en cassatie in het belang van de wet. Pr heeft n.a.v. behandeling van vordering OM tot tenuitvoerlegging van
Artikel 225 lid 1 en 328ter lid 1 Sr. Verweer dat in de voorfase en in het opsporingsonderzoek controlebevoegdheden van de Belastingdienst zijn misbruikt ten behoeve van de opsporing van commune strafbare feiten verworpen. Geen verjaring (art. 70 en 72 Sr) van de ten laste gelegd
Dit verkort proces-verbaal bevat de beslissing van de rechtbank op het ter terechtzitting gedane aanhoudingsverzoek tijdens de in het openbaar gehouden terechtzitting van bovengenoemde rechtbank, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, locatie ’s-Hertogenbosch op 5
Belastingfraude. Handel in aandelen van ‘winstvennootschappen’. O.m. deelneming aan een criminele organisatie dat tot oogmerk had het doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en het omkopen van andere personen dan ambtenaren, ontvankelijkheid OM o.g.v. verjaring t.a.v.
Herziening Ina P. Rapport CEAS. Als novum is aangevoerd dat het tijdstip van overlijden van het s.o., waarvan het Hof blijkens de bewijsvoering is uitgegaan (te weten: tussen 18.00 en 19.10 uur), niet juist kan zijn. De bewezenverklaring van de betrokkenheid van aanvraagster bij
Verjaringstermijn ex art. 72.2 Sr en reikwijdte art. 73 Sr. Het tenlastegelegde betreft een overtreding die heeft plaatsgevonden op 16-1-99. Op 6-10-05 heeft het HvJ EG uitspraak gedaan n.a.v. het arrest van de HR van 23-12-03 (LJN AL4343). Blijkens de wetsgeschiedenis strekt art