Art. 57 en 63 Sr. Het Hof had zich bij de strafoplegging i.c. ingevolge art. 63 Sr rekenschap moeten geven van de beperkingen die art. 57 Sr aan een cumulatie van straffen stelt. Het Hof heeft dit miskend door voor alle in beide zaken bewezenverklaarde misdrijven een gevangenisst
Wetboek van Strafrecht
Art. 57 Sr
Genoemd in 818 uitspraken · Officiële wettekst
818 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 31 · live
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een aantal zeer ernstige feiten. Zo heeft hij samen met anderen twee personen van hun vrijheid beroofd en enige tijd van hun vrijheid beroofd gehouden en tijdens deze vrijheidsberoving excessief geweld gepleegd en bedreigingen met geweld
Overschrijding redelijke termijn in cassatie.
Art. 359.2 Sv, uos. Hetgeen door de raadsvrouw ttz. in hb is aangevoerd m.b.t. de verklaringen van de aangevers kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Het Hof is daarvan afgeweken door die verklaringen voor het bewijs te bezigen, ma
Verzoek toevoeging stukken. Maatstaf. Uit ’s Hofs beslissing kan niet volgen of het Hof de juiste maatstaf (noodzaak) heeft toegepast. Indien het Hof de juiste maatstaf heeft toegepast, is zijn motivering niet zonder meer begrijpelijk, in aanmerking genomen dat het niets heeft va
Belastingfraude. Handel in aandelen van ‘winstvennootschappen’. O.m. deelneming aan een criminele organisatie dat tot oogmerk had het doen van onjuiste aangiften vennootschapsbelasting en het omkopen van andere personen dan ambtenaren, ontvankelijkheid OM o.g.v. verjaring t.a.v.
OM-cassatie. Ontnemingsvordering t.a.v. feit a.b.i. art. 36e.2 Sr waarvoor betrokkene niet afzonderlijk is vervolgd. HR herhaalt relevante overwegingen m.b.t. ontneming t.a.v. feiten a.b.i. art. 36e.2 Sr in het licht van art. 6 EVRM uit HR LJN BC2319. I.c. is de vraag aan de orde
Verdachte heeft van tevoren een telefonische verbinding tot stand gebracht waardoor hij het gespek tussen medeverdachte [Q] en het slachtoffer - die door [Q] onder valse voorwendselen naar zijn kantoor was gelokt - kon uitluisteren, waarna hij samen met twee andere mannen en zijn
Verdachte heeft haar echtgenoot [X] bijgestaan bij het tot stand brengen van een telefoonverbinding waardoor hij het gesprek tussen [Q] en het slachtoffer, die door [Q] onder valse voorwendselen naar diens kantoor was gelokt, kon uitluisteren, waarna verdachte samen met [X] en tw
Het bezigen tot bewijs van op 19-2-05 door verdachte afgelegde verklaring terwijl Hof heeft overwogen dat geen verklaring van verdachte afgelegd tussen 18-2-05 en 20-2-05 voor het bewijs wordt gebruikt, leidt niet tot cassatie, in aanmerking genomen ’s Hofs vaststelling dat verda
Verdachte is veroordeeld voor een groot aantal woninginbraken en twee pogingen tot het verkrijgen van gegevens voor het vervaardigen van valse betaalpassen, het zogenaamde skimmen.
Motivering beslissing op vordering b.p. De opvatting dat t.a.v. de motivering van een op een vordering van een b.p. te nemen beslissing “aansluiting dient te worden gezocht” bij het motiveringsvoorschrift van art. 359.2 2e volzin Sv, is niet juist. Het ook in h.b. van toepassing
Antilliaanse zaak. Medeplegen. Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan, anders dan het Hof heeft overwogen, niet worden afgeleid dat de container waarin de slachtoffers op 22-11-2005 werden vastgehouden, op dat moment door verdachte aan A in gebruik was gegeven en evenmin dat verdach
In zijn arrest van HR LJN AZ1702 heeft de HR een aantal vragen besproken die zijn gerezen n.a.v. de wet van 10-11-2004 tot wijziging van het WvSv en het WvSr en de Wet RO i.v.m. het horen van getuigen en enkele verwante onderwerpen (Stb. 579). Deze vragen zagen o.m. op de wijzigi
HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AF7985 (NJ 2004, 165) tav voorwaarden mbt aanvullende bewijsoverweging. Het Hof heeft verzuimd in zijn “bijzondere overwegingen” met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het heeft ontleend dat “
1. Vermelding toepasselijke wetsbepalingen voor uitlevering. 2. Vermelding feiten waarvoor uitlevering kan worden toegestaan. Ad 1. De bestreden uitspraak houdt als de in art. 28.3 UW voorgeschreven vermelding van de toepasselijke wetsbepalingen in: “de artikelen 57, 140, 225 en
Brandstichting Eindhoven 2004. O.g.v. art. 36f.6 Sr jo. art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag i.c., waarin sprake
Brandstichting Eindhoven 2004. O.g.v. art. 36f.6 Sr jo. art. 24c Sr kan bij het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat worden bepaald dat bij gebreke van betaling en verhaal vervangende hechtenis wordt toegepast. Deze vervangende hechtenis mag i.c., waarin sprake
Jeugdzaak. Opgelegde straf hoger dan wettelijk maximum. Verdachte was t.t.v. het begaan van de bewezenverklaarde misdrijven nog geen 16 jaar. Door hem 18 maanden jeugddetentie waarvan 5 maanden voorwaardelijk op te leggen, heeft het hof art. 77i.1.a Sr geschonden.
Maximale duur taak- en werkstraffen bij samenloop. Verdachte is o.m. veroordeeld tot 240 uren werkstraf en in een gelijktijdig behandelde zaak tot 120 uren OATAN. Hoewel uit de toelichting blijkt dat de wetgever in art. 22c.2 Sr de duur van de taak- en werkstraf heeft beperkt tot
Maximale duur taak- en werkstraffen bij samenloop. Zaak hangt samen met HR LJN AY8324 en wordt met art. 81 RO afgedaan.
1. Onpartijdig gerecht ex art. 6.1 EVRM en oordeel over ontvankelijkheid OM in kader verzoek tot opheffing voorlopige hechtenis. 2. Ontvankelijkheid OM en vernietiging inbeslaggenomen voorwerpen. 3. Motivering ex art. 360.1 Sv van gebruik voor bewijs van verklaring bedreigde getu
Motivering geldboete die is opgelegd in verband met financieel gewin uit bewezenverklaarde feiten. In aanmerking genomen dat noch de gedingstukken noch het verhandelde ter terechtzitting zowel in eerste aanleg als in appel iets inhouden omtrent de draagkracht van verdachte, behoe
1. Ontbreken beslissing op vorderingen benadeelde partijen. 2. Maximum vervangende hechtenis. Ad 1. Hof besliste niet op vorderingen benadeelde partijen maar legde wel maatregelen ex art. 36f op. Vooropgesteld moet worden dat de rechter ex art. 335 en 361 Sv gehouden is gelijktij
Antilliaanse zaak. Het aangevoerde (‘door mededader gedwongen onder bedreiging vuurwapen’) kan bezwaarlijk anders worden verstaan dan als een beroep op psychische overmacht, waarop het hof ex art. 401.3 jo. art. 402.2 en 7 SvNA op straffe van nietigheid in zijn vonnis een gemotiv