Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging. Relatief klachtdelict. Op grond van artikel 316, lid 2 Sr in samenhang met artikel 324 Sr vindt - indien de verdachte een bloed-of aanverwant, hetzij in de rechte linie, hetzij in de tweede graad van de zijlinie,
Wetboek van Strafrecht
Art. 316 Sr
Genoemd in 45 uitspraken · Officiële wettekst
45 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Onderzoek Aurelia, verdenking van moord (feit 1), poging tot (gekwalificeerde) diefstal (feit 2) en gekwalificeerde diefstal (feit 3 primair) of verduistering (feit 3 subsidiair). Ten aanzien van alle feiten is het slachtoffer de moeder van verdachte. De rechtbank verwerpt het pr
Conclusie plv. AG. Verduistering en diefstal door de geregistreerd partner van de kleinzoon van het slachtoffer. Middel waarin wordt betoogd dat niet is voldaan aan het klachtvereiste moet volgens de plv. AG falen. Conclusie strekt tot vernietiging van de straf en tot strafvermin
Conclusie AG. Middel m.b.t. klachttermijn a.b.i. art. 316, derde lid, Sr en bewijsklacht valselijk opmaken a.b.i. art. 225 Sr. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve constatering overschrijding redelijke termijn, het
Gepubliceerd in verband met cassatie. Het hof heeft de zaak teruggewezen naar de rechtbank in verband met de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.
Conclusie AG over de aanvang van de termijn ex art. 66 lid 1 Sr (vervolging op klacht) indien “het gepleegde feit” als bedoeld in die bepaling verduistering betreft. Verdachte wordt verweten een groot geldbedrag van zijn vader, waarmee hij had afgesproken dat hij diens geld zou b