Het hof is van oordeel dat het onverwacht van achteren benaderen van meisjes in de leeftijd van 4 à 5 jaren en met een stijve piemel tegen de billen van die meisjes te drukken op grond van de heersende sociaal–ethische normen in de samenleving als ontuchtig moet worden gekwalific
Wetboek van Strafrecht
Art. 246 Sr
Genoemd in 308 uitspraken · Officiële wettekst
308 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 12 · live
Promis vonnis. Ontucht gepleegd in de trein. Bewezenverklaring met gebruik van schakelbewijsconstructie. Veroordeelt tot een gevangenisstraf van 18 maanden met aftrek.
Beslag. Redelijk vermoeden van schuld ex art. 27 Sv. In een geval als i.c. waarin het gaat om de inbeslagneming van voorwerpen die kunnen dienen om de waarheid aan de dag te brengen, moet de Rb aan de hand van de beschikbare stukken en o.b.v. het -summiere- onderzoek in raadkamer
Bewijsklacht. Art. 246 Sr. Vooropgesteld zij dat van door een feitelijkheid dwingen tot het dulden van ontuchtige handelingen als bedoeld in art 246 Sr slechts sprake kan zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slof die handelingen tegen
Verdachte heeft zich in de nacht van 4 op 5 januari 2009 schuldig gemaakt aan twee bedreigingen van twee agenten door hen met een bijl en een mes achterna te gaan, een poging tot zware mishandeling van een andere agent door hem te schoppen en te proberen met een midwinterhoorn te
Promis-vonnis. Gedurende geruime tijd plegen van zedenmisdrijven met vijf minderjarigen, waaronder eigen kinderen en een stiefkind. Tevens gedurende geruime tijd mishandelen van eigen minderjarig kind en twee minderjarige stiefkinderen. Daarnaast mishandeling van levensgezel. Ver
Uitlevering. 1. Het oordeel van de Rb dat het Kroatische strafvonnis voor tul vatbaar is, kan in cassatie niet op zijn juistheid doch slechts op zijn begrijpelijkheid worden onderzocht. Onbegrijpelijk is haar oordeel niet, in aanmerking genomen dat het uitleveringsverzoek inhoudt
Het hof overweegt het volgende. De Memorie van Antwoord (kamerstukken 1988-1989, 20930, nr. 5, p. 4-5) vermeldt: 'het doel van de zedelijkheidswetgeving is het beschermen van de seksuele integriteit van personen, die daartoe zelf, op een bepaald moment, dan wel in het algemeen, n
OM-cassatie. Conclusie AG houdt o.m. in dat het Hof niet van een verkeerde rechtsopvatting t.a.v. het begrip “ontuchtige handelingen i.d.z.v artt. 246 en 247 Sr is uitgegaan en dat de motivering van de vrijspraak de toets in cassatie kan doorstaan. HR: 81 RO.
Bewijs. Aangezien de bewezenverklaring, vzv. behelzende dat verdachte X “heeft gedwongen tot het dulden” van de daarin genoemde handelingen, niet zonder meer kan worden afgeleid uit de inhoud van de bewijsmiddelen, is de bestreden uitspraak in zoverre niet naar de eis der wet met
Veroordeling van een 46 jarige verdachte tot een gevangenisstraf van 2 jaren wegens het in de escort brengen van een kwetsbare minderjarige jongen, het feitelijk in zijn eerbaarheid aanranden door middel van webcam-seks van een kwetsbare minderjarige jongen, het plegen van ontuch
HR herhaalt toepasselijke overwegingen uit HR LJN AF7985 (NJ 2004, 165) tav voorwaarden mbt aanvullende bewijsoverweging. Het Hof heeft verzuimd in zijn “bijzondere overwegingen” met voldoende mate van nauwkeurigheid de bewijsmiddelen aan te geven waaraan het heeft ontleend dat “
“Feitelijkheid” in art. 246 Sr. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat het slachtoffer a.g.v. “het onverhoeds binnenlopen van de woning van het slachtoffer” en “het doorgaan met de ontuchtige handelingen ondanks dat het slachtoffer (meermalen) zei dat hij daarmee niet moest doorg
Ontuchtige handelingen, seksuele bedoelingen, objectief, subjectief, NJ 2002, 61, uiterlijke verschijningsvorm, memorie van toelichting, vordering na voorwaardelijke veroordeling
Dwang door feitelijkheid ex art. 242 Sr. De bewezenverklaring houdt in dat de feitelijkheid hierin bestond dat verdachte een feitelijk overwicht op het slachtoffer heeft gehad (gezien het leeftijdsverschil tussen verdachte en slachtoffer en de relatie opa-kleinkind) en aldus voor
Van door een feitelijkheid dwingen ex art. 242 Sr tot het ondergaan van handelingen die (mede) bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam kan slechts sprake zijn indien verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen
artikel 246 Sr, ontuchtige handelingen, dwang, tegen de wil ondergaan van ontuchtige handelingen, niet bemerken van het dwangmiddel en het causaliteitsvereiste. Het heimelijk en onverhoeds filmen van vrouwen die gebruik maken van het toilet levert naar het oordeel van de rechtban
Door een feitelijkheid wederrechtelijk dwingen ex art. 284 Sr. 1. De bewijsmiddelen houden in dat verdachte gebruik heeft gemaakt van zijn positie van militaire meerdere tegenover het slachtoffer als ondergeschikte, dat hij het slachtoffer naar een niet voor hem (het slachtoffer)
Vader misbruikt dochter sexueel vanaf haar 8ste jaar tot haar 26ste jaar; € 20.000,-- immateriële schadevergoeding.
[...] Verdachte heeft sinds 1993 ontuchtige handelingen gepleegd bij jonge tot zeer jonge meisjes. Hij heeft om deze zedendelicten te kunnen begaan misbruik gemaakt van zijn positie als eigenaar van een paardenstal, waar jonge meisjes zijn paarden mochten verzorgen en berijden. [
Van ontucht ex art. 247 en 249.1 Sr kan ook sprake zijn zonder lichamelijke aanraking tussen verdachte en de minderjarige. Het is afhankelijk van de omstandigheden van het geval of de feitenrechter kon oordelen dat het bewezene het plegen van ontucht "met" de minderjarige oplever
1. In een op art. 285b Sr toegesneden tenlastelegging behoeft wat betreft het bestanddeel “met het oogmerk de ander te dwingen iets te doen, niet te doen of te dulden dan wel vrees aan te jagen” niet te worden gespecificeerd op welk doen, nalaten of dulden het oogmerk van de dade
1. Eisen aan bewijsvoering bij bewezenverklaring van alternatieven in tenlastelegging. 2. Door feitelijkheid dwingen ex art. 246 Sr. Ad 1. Indien in de bewezenverklaring onderscheiden alternatieven zijn opengelaten zal elk van die alternatieven door bewijsmiddelen dienen te worde
Art. 55 lid 1 Sr en kwalificatie. Hetzelfde feit vervult de delictsomschrijving van art. 242 en 246 Sr en is als feit 1 en 2 als afzonderlijke overtredingen van deze bepalingen tenlastegelegd, bewezenverklaard en gekwalificeerd. Met de aanhaling van art. 55 Sr heeft het Hof tot u
-