Overeenkomstenrecht. Is de tussen partijen gesloten overeenkomst tot het verrichten van werk tegen betaling een arbeidsovereenkomst als bedoeld in art. 7A:1637a (oud) BW? Is sprake van een verboden aanvulling van feitelijke stellingen (art. 176 (oud) Rv en art. 48 (oud) Rv)?
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 48 Rv
Genoemd in 160 uitspraken · Officiële wettekst
160 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Onrechtmatige daad. Geen formele rechtskracht. Verboden wijziging van het onderwerp van de eis.
Devolutieve werking (pleidooi in appel); art. 6 EVRM; Motivering; Procesrecht
Procesrecht. Ambtshalve aanvulling van rechtsgronden.
-
-
1. Arbeidsovereenkomst met buitenlandse werknemer. Beeindiging met wederzijds goedvinden? Onderzoeksplicht. 2. Regels van goede procesorde en feiten die eerst bij pleidooi zijn gesteld.
Prejudiciële vragen. Overeenkomst tot het bieden van kinderdagopvang door kindercentrum. Kwalificatie als overeenkomst van opdracht. Bedongen opzegtermijn en opzeg- of annuleringsvergoeding verenigbaar met het eenzijdig dwingende recht met betrekking tot particuliere opdrachtgeve
Verbintenissenrecht. Ambtshalve toepassing art. 3:40 BW wegens misleiding fiscus. Natuurlijke verbintenis? Verrassingsbeslissing? Begrip strekking in art. 3:40 BW.
Procesrecht. Betekening verstekvonnis. Art. 143 lid 2 Rv en art. 46 e.v. Rv. Betekening aan de Ontvanger ‘in persoon’, vereisten. Stelsel Invorderingswet: verhouding tussen beoordeling door burgerlijke rechter van verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel (art. 17 Iw) en beoorde
Procesrecht. Betekening verstekvonnis. Art. 143 lid 2 Rv en art. 46 e.v. Rv. Betekening aan de Ontvanger ‘in persoon’, vereisten. Stelsel Invorderingswet: verhouding tussen beoordeling door burgerlijke rechter van verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel (art. 17 Iw) en beoorde
-
Procesrecht. Hoger beroep interlocutoir vonnis (art. 337 lid 2 Rv). Beleid appelrechter.
Het geschil in cassatie betreft de vraag of belanghebbende zich met vrucht kan beroepen op in rechte te beschermen vertrouwen, gewekt door een beleidsbesluit. Belanghebbende is sinds 1 juni 2011 eigenaar van een woning, welke onderdeel uitmaakt van een als rijksmonument aangeweze
Procesrecht. Betekening verstekvonnis. Art. 143 lid 2 Rv en art. 46 e.v. Rv. Betekening aan de Ontvanger ‘in persoon’, vereisten. Stelsel Invorderingswet: verhouding tussen beoordeling door burgerlijke rechter van verzet tegen tenuitvoerlegging dwangbevel (art. 17 Iw) en beoorde
Zijn Duits Elterngeld en een Duitse ontslagvergoeding ‘loon’ in de zin van art. 12 Wet WIA, zodat zij meetellen in de grondslag van WIA-uitkeringsberekening? Beperkte cassatiegronden. Verkeerde uitleg van ‘loon’ in art. 12 Wet WIA is cassabel, maar die kwalificatie hangt in casu
Vertrouwensberoep; art. 9(4) Wet BvR (ontdubbeling van belasting bij terugverkrijging eigendom); beleidsregel die verwijst naar ‘redelijke wetstoepassing’ ontdubbelt ook bij terugverkrijging van vervreemde economische eigendom maar zegt, anders dan de wet, niet dat de btw op de e
Schadestaatprocedure. Art. 6:97, 106 BW. Kwalificatie van gederfd woongenot als vermogensschade of als immaterieel nadeel? Uitleg stellingen. (81 RO)
Aansprakelijkheidsrecht; bevoegdheidsperikelen. Schadevordering van voormalige werkgever tegen oud-bestuurders/werknemers die op staande voet waren ontslagen wegens in dienstverband gepleegde strafbare feiten; samenloop, vraag of art. 2:9 en 7:661 BW in de weg staan aan toewijzin
-
Familierecht. Ontkenning van vaderschap van staande huwelijk geboren kind; verzoek man tot bevel DNA-onderzoek, afdwingbaarheid medewerking moeder; cassatie, ontoelaatbaar feitelijk novum.
Europees recht. Auteursrecht. Materiële reciprociteitstoets werken van toegepaste kunst (art. 2 lid 7 Berner Conventie); betekenis RAAP-arrest (HvJEU 8 september 2020, C-265/19, ECLI:EU:C:2020:677); ambtshalve bijgebrachte rechtsgrond; prejudiciële vragen?; vervolg op HR 23 septe
Contractenrecht. Koopovereenkomst woning met agrarische bestemming. Uitleg gedingstukken; beroep op dwaling (art. 6:228 BW)? Verhouding mededelingsplicht en onderzoeksplicht; eigen schuld, art. 6:101 lid 1 BW. Samenhang met 15/04731 en 15/04491.
In deze nadere conclusie worden aan de orde gesteld (i) de invloed van het noch in feitelijke instanties, noch in cassatie aan de orde gestelde overgangsrecht bij de invoering in 2002 van de hybride-leningwetgeving in de Wet op de vennootschapsbelasting 1969; en (ii) de vraag of
Reconstructiewet (Rw.). Behoudens bijzondere gevallen is naast gesloten stelsel van de Rw. geen plaats voor algemene vordering uit ongerechtvaardigde verrijking (vgl. HR 24 september 2010, LJN BM9600, NJ 2010/508 ten aanzien van Landinrichtingswet). In onderhavig bijzonder geval