Procesrecht. Verstekverlening. "Corona-betekening" aan natuurlijke persoon, waarbij niet wordt aangebeld, maar direct afschrift van het exploot in de brievenbus van het woonadres wordt gedaan. Feitelijke onmogelijkheid als bedoeld in art. 47 lid 1 Rv? RIVM-richtlijnen; wetsvoorst
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 45 Rv
Genoemd in 165 uitspraken · Officiële wettekst
165 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Advocatenkantoor vordert rechtstreeks betaling van een onderneming van de declaraties terzake werkzaamheden die het kantoor heeft verricht voor de ondernemingsraad van die onderneming. Inmiddels heeft die OR geen leden meer. Het hof oordeelt, anders dan de rechtbank, dat dit kan,
Concusie AG. Beklag beslag op vorderingen (552a Sv). Middel OM slaagt: de rechtbank heeft het summiere karakter van de beklagprocedure miskend door zelf een oordeel te geven over de causale relatie tussen de verdenking van valsheid in geschrift en het ontstaan van de vorderingen
Zorgverzekeringsovereenkomst. De dagvaarding is geldig betekend. Er is al meer betaald dan maximaal verschuldigd is. Afwijzing vordering.
Kort geding. Verbod op het doen van onrechtmatige uitlatingen over de Radboud Universiteit.
Gedaagde is de facturen voor het verblijven in een zorginstelling aan CAK verschuldigd op basis van de wet, zodat het verweer van gedaagde dat hji geen contract heeft gesloten met CAK niet opgaat. De vraag of de Wlz valt onder Maritiem/ Admiraliteitsrecht kan in het midden worden
Procesrecht. Verstekverlening. Art. 45 en 121 Rv. Betekening exploot door deurwaarder, zonder vermelding in het exploot van de woonplaats van verweerster omdat zij 'geheim adres' heeft (art. 2.59 Wet basisregistratie personen).
Is medewerker deurwaarder gemachtigd om eisende partij op zitting te vertegenwoordigen? Is in een eerdere procedure al beslist op de vordering van eisende partij? Koop op afstand: consument is onvoldoende geinformeerd dat geen recht op ontbinding bestaat.
Onrechtmatige overheidsdaad. Vorderingen gegrond op de inhoud van het proefschrift van dr. mr. F.M.J. Jansen getiteld “Nietigheid in het burgerlijk procesrecht” uit 1955 ten aanzien van groot aantal gestelde nietigheden in een rechtsgang bij de voorzieningenrechter en hoger beroe