Aansprakelijkheidsrecht. Beslagrecht. Onbedoeld beslag op zaak van derde dat tot schade leidt doordat zaak bij gerechtelijke bewaring kwijtraakt. Toerekening ex art. 6:162 lid 3 BW van eigendomsinbreuk aan beslaglegger op grond van de verkeersopvattingen? Betekenis risicoaansprak
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 456 Rv
Genoemd in 19 uitspraken · Officiële wettekst
19 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Beslag- en executierecht. Levert een schikking ex art. 89 lid 1 Rv die een boetebeding bevat, een executoriale titel op voor de beweerdelijk ingevolge dat beding verbeurde boetes? Eisen te stellen aan executoriale titel. Vergelijking met regeling dwangsom (art. 611c tweede zin Rv
Hoger beroep van AO5864. Beslaglegging op inventaris horeca-etablissementen door belastingdienst.
BV (eigendom van horecagigant) mocht niet verwachten dat verhaal van de belastingschuld op haar goederen (inventaris) achterwege zou blijven. Uitspraak in hoger beroep bevestigd; LJN BA1380.
Kort geding. Executiegeschil. Verzet Opheffing executoriaal beslag. Maatstaf en grieven. Executoriaal beslag voor schuld van man op woning die op naam staat van vrouw. Elke gemeenschap van goederen uitgesloten bij huwelijkse voorwaarden. Verzet vrouw tegen beslag. Geen processuel
Fiscaal bodemrecht (art. 22 lid 3 Iw); omvang en strekking. Terughoudend beleid Ontvanger ten aanzien van reële eigendom van derden; uitzondering daarop bij afnamebeding tussen derde-eigenaar en belastingschuldige (art. 22.8.10 Leidraad Invordering 1990); profijt derde vereist? A
Ontvanger Belastingdienst heeft onrechtmatig gehandeld door openbare verkoop door te zetten Belastingdienst Utrecht-Gooi heeft diverse belastingaanslagen opgelegd aan de vennootschap Reclame & Zo B.V. De Ontvanger van de Belastingdienst (hierna: de Ontvanger) heeft vervolgens exe
Kort geding. Executoriaal beslag op voertuigen. Vordering opheffing beslag/staken executie. Volgens de schuldenaar zijn de voertuigen niet van hem maar van een vennootschap waarvan hij (indirect) bestuurder is. Dit is onvoldoende aannemelijk gemaakt. Hoger beroep slaagt niet.
Hoger beroep verzetprocedure ex artikel 17 Invorderingswet 1990.
Kort geding, executiegeschil, beslag roerende zaken. Zaken van derden? Valse facturen, 21 Rv. Beslagverbod art. 447 lid 1 sub a Rv, misbruik van recht. Beslagen deels opgeheven, executie tijdelijk verboden.
Kort geding. Executiegeschil. Verkeerde partij gedagvaard. Eiser is een derde in de zin van artikel 438 lid 5 Rv en had ook de geëxecuteerde moeten dagvaarden. Voorschrift van dwingend recht. Niet-ontvankelijk verklaring.
Vordering derde die stelt eigenaar te zijn, tot verbod executoriale verkoop door Ontvanger van twee in beslag genomen Bentleys en een Mercedes. Beroep door derde op art. 435 lid 3 Rv. Betekenis en reikwijdte art. 435 lid 2 en lid 3 Rv en verhouding tot art. 456 Rv. In dit geval n
Executoriaal beslag op auto door de Ontvanger
Bij het bestreden vonnis is het verzet door derden tegen de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ongegrond verklaard. De incidentele vordering van de Ontvanger in hoger beroep om het bestreden vonnis alsnog uitvoerbaar bij voorraad te doen verklaren (234 Rv.) wordt afgewezen.
PROCESRECHT; VAAK GEMAAKTE FOUT; artikel 456 lid 1 Rv juncto artikel 438 lid 5 Rv Bij verzet tegen de executie door een derde dient zowel de executant als de geëxecuteerde gedagvaard te worden.
Derde komt in verzet tegen beslaglegging maar heeft niet, zoals zij ingevolge het vijfde lid van artikel 438 Rv had moeten doen, de geëxecuteerde gedagvaard. De rechtbank verbindt hieraan geen gevolgen omdat aan de strekking van deze bepaling, namelijk dat de geëxecuteerde in het
De voorzieningenrechter ziet zich vooreerst voor de vraag geplaatst of eisers in hun vorderingen kunnen worden ontvangen. Deze vraag wordt ontkennend beantwoord, waartoe het volgende wordt overwogen Ingevolge het bepaalde in artikel 438, vijfde lid, Rv dient een derde, die zich t
Vast staat dat eiser geen partij is geweest in de procedure die tot het vonnis heeft geleid, zodat zij in het kader van dit kort geding moet worden aangemerkt als “een derde” in de zin van artikel 438, lid 5 Rv. Dit artikel(lid) schrijft dwingend voor dat in een executiegeschil a
-