Letselschade. Aanrijding van een kind. Artikel 225 lid 2 Rv. Rechtbank neemt conclusie van door de rechtbank benoemde deskundige (kinder)neuroloog en -psychiater over. Geen blijvende klachten of beperkingen door het ongeval.
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 225 Rv
Genoemd in 512 uitspraken · Officiële wettekst
512 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 10 · live
Beëindiging opdracht in onvoltooide staat. UAV
Verkoop van aandelen en uitgeefrechten van titels/evenementen. Geschil tussen koper en gedaagden als verkopers over de hoogte van de omzet die de grondslag vormt van de koopprijs. Koper heeft zijn schadevordering aan eiseres gecedeerd. De rechtbank wijst eindvonnis nu het bevolen
Aansprakelijkheidsrecht. Tijdens een storm op Schiphol waait een losstaande draadkar tegen een vliegtuig van TUI.. Dit leidt tot een aanzienlijke schade. Hof beoordeelt wie de gebruiker was van de draadkar en aansprakelijk is voor de schade.
Incident ex artikel 225 Rv.
Kwalitatieve verplichting. Eisers hebben het terrein waaraan de kwalitatieve verplichting was verbonden hangende de procedure verkocht. De procedure is niet geschorst in de zin van artikel 225 Rv en op eigen naam door eisers voortgezet. Middellijke vertegenwoordiging door eisers
Uitleg erfdienstbaarheid (recht van voetpad over oprit). Vordering tot opheffing van erfdienstbaarheid ex artikel 5:79 BW. Redelijk belang. Geen belangenafweging.
Wet bescherming bedrijfsgeheimen (WBB). Instelling van twee onderscheiden vertrouwelijkheidsregimes. Confidentiality club. Artikel 6 EVRM.
Incidentele vordering ex artikel 225 Rv in verband met overlijden appellant. Procedure geschorst en ambtshalve doorgehaald.
Incident ex artikel 225 Rv. Vordering afgewezen omdat aanzegging tot schorsing niet juist was.
Tussenbeslissing na overlijden van de eiser tijdens twee lopende procedures. De procedures zijn na overlijden geschorst op grond van artikel 225 Rv. De erfgenaam van de eiser heeft na schorsing een akte tot hervatting genomen, ex artikel 227 Rv., waarin hij verklaart de procedure
Bewijswaardering, vervolg op ECLI:NL:GHSHE:2020:2486, ECLI:NL:GHSHE:2022:1175 en ECLI:NL:GHSHE:2022:1693.
Verdeling perceel grond.
Geldlening. Onderhandse akte. Echtheid handtekening.
Erf(proces)recht; ontvankelijkheid; procederen partijen in de juiste hoedanigheid? kennelijke fout hof die zich niet voor eenvoudig herstel leent?
Vastgoedportefeuille. Na einde samenwerking is de vraag hoe e.e.a. tussen pp moet worden afgewikkeld. Voor de afwikkeling hiervan is van belang hoe hun samenwerking moet worden gekwalificeerd. Opdracht tot beheer / ovk tot lastgeving of gemeenschap?
Het Kadaster heeft niet onrechtmatig gehandeld door een verstekvonnis in te schrijven.
Forumkeuze in huurgeschil waarbij het gehuurde in Oostenrijk ligt en huurders in Duitsland wonen. Voorlopig oordeel hof is dat het bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Partijen krijgen gelegenheid zich op dit punt bij akte uit te laten.
Groepsonrechtmatige daad ex artikel 6:166 BW. In rekening brengen van niet verrichte onderhoudswerkzaamheden. Bewust zijn deel te nemen aan groepsoptreden. Ontvankelijkheid eiser. Last tot incasso. Schadebegroting. Procespartij in hoger beroep na fusie.
Particuliere borgtocht voor een geldlening. Elektronische handtekening. Particuliere borg betwist dat de elektronische handtekening onder de borgstelling van haar afkomstig is. Hof komt tot het oordeel dat de handtekening van de borg afkomstig is, dat de door de geldverstrekker g
Koopovereenkomst met betrekking tot onverdeeld aandeel in onroerende zaak. Geen wilsgebrek.
vervoerrecht. binnenvaart. aanvaring. beperking van aansprakelijkheid
Ontbinding koopovereenkomst.
Verzekeringsrecht. Dekkingsgeschil. Inventaris-/goederenverzekering. Brandschade. De verzekeraar weigert dekking van brandschade omdat de verzekerde een garantieclausule, die ziet op onderhoud van de elektrische installatie, heeft geschonden. Dekkingsweigering is niet naar maatst
Curatele/Wzd. Geschil tussen twee curatoren over opname zoon in zorginstelling (art. 1:383 lid 10 BW). Heeft hof miskend dat de bijzondere regeling van art. 24 Wzd prevaleert boven de algemene regeling van art. 1:383 lid 10 BW?