Zaak met vrijwel zelfde feitencomplex en zelfde juridische grondslagen wordt ex artikel 220 lid 1 Rv naar rechtbank Gelderland, waarnaar de rechtbank Midden-Nederland om dezelfde reden ook al een zaak had verwezen.
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
Art. 220 Rv
Genoemd in 217 uitspraken · Officiële wettekst
217 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 2 · live
Vordering tot verwijzing naar de pachtkamer en voeging met de zaak met zaaknummer 9604722 CV EXPL 21-42915 wordt toegewezen. Beide zaken zijn aan elkaar verknocht, waardoor gelijktijdige behandeling wenselijk is
‘Huur ontbinding ontruiming, geen toegang tot gehuurde, schade, bedreigingen, voeging’.
Incidenten. Vrijwaring ex artikel 210 lid 1 Rv. Verwijzing en voeging ex artikel 220 en 222 Rv. Verwijzing vanwege verknochtheid leidt van rechtswege tot voeging. Vorderingen toegewezen.
Verwijzing wegens verknochtheid afgewezen nu zaak aardvordering betreft
Handelszaak en kantonzaak zijn verknocht. Verwijzing handelszaak naar de kantonrechter (art. 220 lid 1 Rv).
Vordering in incident, verwijzing op grond van artikel 220, lid 1 Rv afgewezen. Dit artikel is enkel aan de orde wanneer het gaat om twee (of meer) dagvaardingszaken. Aan deze voorwaarde is in dit incident niet voldaan.
afwijzing incidentele vordering tot verwijzing naar andere rechtbank wegens verknochtheid ex art. 220 lid 1 Rv
Incident, verwijzing, artikel 220 lid 1 Rv, verknochtheid, afwijzing.
Incident tot verwijzing en voeging. Sprake van voldoende verknochtheid. Vordering tot verwijzing wordt toegewezen. Eiser niet-ontvankelijk in vordering tot voeging.
Incident tot verwijzing ex artikel 220 Rv. Toepassing van het wettelijke criterium 'eerder aanhangig zijn gemaakt'. Dagvaarding in zaak waarin de incidentele vordering is gedaan, is net iets eerder betekend dan in de andere zaak. Beide zaken min of meer gelijktijdig ingeschreven
Verbintenissenrecht – nakoming overeenkomst van geldlening en managementovereenkomst – onrechtmatige daad – schadevergoeding
Tussenvonnis. Artikel 7 lid 2 herschikte EEX-vo. Bevoegdheidsincident. Plaats waar schade brengende feit zich heeft voorgedaan.
Bevoegdheidsincident. Art. 4.6 BVIE. In omstandigheden van dit geval geen grond voor aanvullende werking van regels van ongeschreven internationaal privaatrecht of 107 Rv over samenhang bij meer gedaagden, in afwijking van hoofdregel (forum rei).
Procedures tussen dezelfde partijen voor kantonrechter en pachtkamer. Verwijzing kantonzaak naar pachtkamer volgens art. 220 lid 1 onmogelijk. Toch verwijzing naar pachtkamer omdat na verwijzing naar team handelsrecht verwijzing naar pachtkamer zou volgen ogv art. 220 lid 5 Rv.
Wrakingsverzoek gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard, overigens afgewezen.
Incident. Verzoek tot verwijzing naar een ander hof op de voet van artikel 220 lid 1 Rv. wegens de schijn van partijdigheid/meerdere parallel lopende rechtsvragen. Bezwaar tegen schriftelijk pleidooi. Landelijk procesreglement. Geen sprake van eenparig verzoek van partijen.
Procedure ouders tegen Raad voor de kinderbescherming en Stichting Bureau Jeugdzorg. Incident. Vordering tot verwijzing naar hof Den Bosch wegens schijn van partijdigheid hof Den Haag. Geen grond aanwezig als bedoeld in artikel 220 Rv. Bovendien verzoek tardief gezien het bepaald
Verwijzing wegens verknochtheid; 220 Rv; referte
Verwijzing wegens verknochtheid; 220 Rv; referte
Verwijzing wegens verknochtheid ex artikel 220 Rv; referte; schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv; geen verweer
Incident tot verwijzing en voeging ex artikel 220 Rv in hoger beroep. Verwijzing leidt van rechtswege tot voeging van de beide zaken.
Koopstudio-zaak. Incidentele vorderingen tot verwijzing (art. 220 Rv) en voeging (art. 222 Rv). Vorderingen afgewezen. Indien al zou kunnen worden geconcludeerd dat sprake is van verknochtheid voor zover het de handelwijze van een van de gedaagden betreft, geldt dat nog niet zond
Zaak verwezen naar rechtbank Midden-Nederland wegens verknochtheid met zaak aldaar.
geen substantiele overschrijding van de redelijke termijn in civiele procedures in eerste aanleg en appel. geen onrechtmatig handelen van de staat.