BOPZ. Verzoek voorlopige machtiging tot opname en verblijf betrokkene in psychiatrisch ziekenhuis. Duur voorlopige machtiging kan ex art. 10 lid 4 Wet Bopz worden bepaald op ten hoogste zes maanden na dagtekening beschikking. Hoge Raad vernietigt en doet zaak zelf af.
Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
Art. 5 EVRM
Genoemd in 1.168 uitspraken
1.168 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 6 · live
Vervolgberoep ex artikel 6, eerste en tweede lid, Vw. Eiser stelt dat hij met zijn vorige beroep tegen de maatregel art. 6 Vw niet is toegelaten tot een ‘effective remedy’ De rechtbank heeft daarom in het volgende beroep de verplichting dit te onderzoeken. Dit volgt uit de ‘gener
Vreemdelingenbewaring / voortduring vrijheidsontneming / overschrijding termijn vooronderzoek Op 28 september 2010 heeft eiser beroep ingesteld tegen het voortduren van zijn bewaring. Dit beroep is op 28 september 2010 ontvangen door het CIV te Haarlem. Dit beroepschrift is door
Procesrecht. Strafvordering; geen taak voor de burgerlijke rechter bij de beoordeling of de staat in de redelijkheid heeft kunnen beslissen tot het niet benoemen van een transcultureel psychiater in het kader van de zesjaarsrapportage bij een vordering tot verlenging van terbesch
BOPZ. Cassatieberoep tegen beschikking waarbij machtiging is verleend tot voortzetting van de inbewa-ringstelling als bedoeld in art. 27 Wet Bopz niet ontvankelijk nu de geldigheidsduur van de verleende machtiging ingevolge art. 30 Wet Bopz is verstreken.
Afstand van rechtsbijstand. O.g.v. art. 6.3.c EVRM en art. 28.1 Sv is de verdachte bevoegd zich te laten bijstaan door een raadsman. In een aantal gevallen is toevoeging van een raadsman verplicht maar of een verdachte zichzelf ttz. wil verdedigen is zijn vrije keuze. Voor enkele
voorlopige hechtenis. onthouden rechtsmiddel strijd met art. 6 evrm?
Artikel 5 EVRM-overweging inzake een tussentijdse beoordeling ISD-maatregel
Levenslange gevangenisstraf (gvs) en art. 3 en 5.4 EVRM. Is zolang de wet niet voorziet in een periodieke rechterlijke toetsing van de tenuitvoerlegging (tul) van levenslange gvs, het opleggen daarvan niet toegestaan wegens strijd met 1 of meer waarborgen van het EVRM? Aan de EHR
Aan de ISD-veroordeelde is de (wettelijke) mogelijkheid ontnomen een rechterlijk oordeel te krijgen over de noodzakelijkheid van de voortduring van zijn detentie. Schending van artikel 5 lid 4 EVRM. Gelet op het (betrekkelijke) nadeel voor de veroordeelde kan met vaststelling va
Bopz; klachtprocedure ex art. 41 Wet Bopz; vrijheidsbeperking in zicht van inbewaringstelling van betrokkene die vrijwillig is opgenomen, art. 40 lid 3 niet van toepassing; toepasselijkheid van klachtenregeling; ontvankelijkheid van klacht op voet van art. 41a; HR doet zelf zaak
Aan de ISD-veroordeelde is de (wettelijke) mogelijkheid ontnomen een rechterlijk oordeel te krijgen over de noodzakelijkheid van de voortduring van zijn detentie. Schending van artikel 5 lid 4 EVRM.
Vreemdelingenbewaring / horen ter zitting / niet verschenen / gezondheidstoestand / geen opheffing van de bewaring Eiseres is niet in staat ter zitting te verschijnen door haar gezondheidstoestand. Dit blijkt uit een schriftelijke verklaring van een arts in het detentiecentrum w
BOPZ. Machtiging tot voortgezet verblijf; mogelijkheid van reageren op en kennis van gegevens waarop de rechtbank haar beslissing heeft gebaseerd; motiveringsklachten ten aanzien van de stoornis, het gevaar en de afwijzing van een verzoek om contra-expertise (81 RO).
Hoger beroep van de officier van justitie tegen de beschikking (ex artikel 59a Sv) van de rechter-commissaris waarbij de inverzekeringstelling van verdachte onrechtmatig is verklaard en de onmiddellijke invrijheidstelling is bevolen omdat niet is gebleken dat de wijze waarop de d
Uitlevering. Verzekering van verzoekende staat. Het volgende wordt vooropgesteld. O.g.v. van art. 3.1, 2e Aanvullend Protocol EUV kan uitlevering t.b.v. de tul van een verstekvonnis weliswaar worden geweigerd, doch niet indien de verzoekende staat "een verzekering geeft die voldo
Familierecht. Ondertoezichtstelling; uithuisplaatsing in justitiële jeugdinrichting; cassatieberoep kind niet-ontvankelijk bij gebrek aan belang wegens verstrijken termijn.
Klachtprocedure ex art. 41 Wet Bopz; ongegrond bevonden klachten tegen dwangbehandeling als bedoeld in art. 38 lid 5 Wet Bopz; beoordeling door de rechter op de voet van art. 41a: toetsing ‘ex tunc’ van de rechtmatigheid van dwangbehandeling en toetsing ‘ex nunc’ van de voortzett
Bewaring / tijdsverloop voor behandeling ter terechtzitting / artikel 5, vierde lid, EVRM. In artikel 96 Vw 2000 is in het tweede lid bepaald dat de rechtbank het vooronderzoek dient te sluiten binnen een week na ontvangst van het beroepschrift. In het derde lid is bepaald dat de
Beslissing op verzoek 14e BOPZ.Toetsing art. 14d BOPZ. Gevolgen vernietiging beslissing geneesheer-directeur. Voorwaardelijke machtiging herleeft.
1. Geen denaturering. 2. Toetsing bewijsvoering in cassatie; gebruik voor bewijs van kennelijk leugenachtige verklaring; in bewijsoverwegingen betrekken van achterwege blijven verklaring. 3. Gebruik i.c. van kennelijk leugenachtige verklaringen. 4. Schakelbewijs. 5. Gedragsaltern
Bopz, machtiging tot voortgezet verblijf in psychiatrisch ziekenhuis; maximale geldigheidsduur, twee jaren uitsluitend in geval van art. 19 Wet Bopz, daadwerkelijk verblijf gedurende vijf onafgebroken jaren?; HR doet zelf de zaak af.
Bewaring / vervolgberoep / artikel 5, vierde lid, EVRM / speedy trial. De rechtbank stelt vast dat na het instellen van beroep door eiser bij het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken op 30 december 2005 de zaak is verzonden naar de griffie van deze rechtbank, zitting houde
Bopz, machtiging tot voortgezet verblijf na strafrechtelijke plaatsing (art. 37 lid 1 Sr.), hoorplicht rechter, bereidheid van de betrokkene te worden gehoord, behoorlijke oproeping, geheimhouding van zijn verblijfplaats door advocaat ter zitting.
17 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R05/039HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: [Verzoeker], wonende te [woonplaats], VERZOEKER tot cassatie, advocaat: mr. G.E.M. Later, t e g e n DE OFFICIER VAN JUSTITIE IN HET ARRONDISSEMENT AMSTERDAM, gevestigd te Amsterd