Huur. Huurovereenkomst tussen vader (inmiddels overleden) en verhuurder. Voldoet zoon aan de voorwaarden van artikel 7:268 lid 2 en 3 BW om de huurovereenkomst voort te mogen zetten na het overlijden van zijn vader?
Burgerlijk Wetboek
Art. 7:268 BW
Genoemd in 375 uitspraken · Officiële wettekst
375 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Het gaat in deze procedure met name om de vraag of eiser de huurovereenkomst mag voortzetten. Daarvoor is van belang dat voor het huren van de woning een huisvestigingsvergunning nodig is. Die vergunning ontbreekt en de kantonrechter is niet bevoegd om verhuurder tot afgifte daar
Uitspraak in huurzaak in kort geding. Eiser, zoon van de overleden huurder, moet de woning ontruimen. Eiser heeft geen bodemprocedure gestart om een vordering op grond van artikel 7:268 lid 2 BW in te stellen en kan dat ook niet meer, omdat de vervaltermijn is verstreken. De kant
-
Vordering tot voortzetten huurovereenkomst van 48-jarige zoon nadat zijn moeder (de huurder) is overleden. Geen voortzetting omdat geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
huur woonruimte - overlijden huurder - medehuur - huurovereenkomst ten onrechte voortgezet - betaling huurachterstand artikel 7:268 lid 5 BW - ontruiming
De moeder van partij A was huurder van een standplaats met woonwagen van SWD. Zij is overleden. Partij A wil de huur voortzetten. Hij beroept zich daarbij ten eerste op artikel 7:268 lid 2 BW. Partij A stelt dat hij zijn hoofdverblijf bij zijn moeder had en met haar een duurzame,
Verzoek om voorzetting huurovereenkomst na overlijden moeder afgewezen. Geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Geen voortzetting van de huurovereenkomst door broer, want er is niet voldaan aan het duurzaamheidsvereiste uit artikel 7268 BW.
Huurrecht. Huurster heeft een periode met haar vader in diens huurwoning gewoond. Zij stelt dat zij medehuurder is en wil op grond van artikel 7:268 BW de huur voortzetten. Deze vordering wordt afgewezen.
Vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst door dochter na overlijden moeder wordt afgewezen. Dochter heeft onvoldoende onderbouwd dat zij haar hoofdverblijf had in de woning. En zelfs als het hoofdverblijf vast komt te staan, heeft dochter met de overgelegde stukken de k
Vordering tot voortzetting huurovereenkomst (standplaats) van grootmoeder. Geen sprake is van een huurovereenkomst tussen kleinzoon en de Gemeente, Geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding met grootmoeder en hoofdverblijf op de standplaats, Belangenafweging
Na het overlijden van de moeder verzoekt de zoon de huurovereenkomst te mogen voortzetten. Verhuurder heeft dit verzoek afgewezen. De voorzieningenrechter heeft de vordering tot ontruiming toegewezen en de zoon veroordeeld tot betaling van de huurachterstand. Het hof bekrachtigt
art. 7:268 lid 2 BW. Voortzetting huur door zoon na overlijden moeder. Geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De vordering wordt afgewezen.
vordering zoon tot voortzetting huurovereenkomst van overleden moeder, artikel 7:268 BW, duurzame gemeenschappelijke huishouding
Eisers vader huurde een woonwagenstandplaats van gedaagde. De vader is overleden. Eiser is geen voorzettende huurder (artikel 7:268 BW). Eiser is ook geen eerste rechthebbende op de woonwagenstandplaats. De in reconventie gevorderde ontruiming wordt toegewezen.
Erfgenamen van een huurster vorderen dat de partner van de huurster de huurwoning ontruimt, zodat de erfgenamen de huurwoning leeg kunnen opleveren aan de verhuurder. De vordering wordt afgewezen, omdat dit de wettelijke regeling van artikel 7:268 lid 2 BW zou doorkruizen.
voortzetting huurovereenkomst door meerderjarig kind van huurder. vordering afgewezen, hoofdverblijf niet vast komen te staan.
Geen duurzame gemeenschappelijke huishouding in de zin van artikel 7:268 lid 2 BW, zodat de zoon van de overleden huurders de woning dient te ontruimen. De voorts gevorderde huurachterstand wordt op grond van artikel 7:268 lid 5 BW toegewezen.
ontruiming geen recht of titel voor verblijf in de woning
verzoek om medehuurderschap, artikel 7:267 BW
Beroep op artikel 7:268 afgewezen omdat geen sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de zoon en de (inmiddels overleden) moeder. De ontruimingsvordering is niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat de beslissing eerst in kracht van gewijsde moet zij
Art. 7:268 BW; overlijden huurder. Zoon doet een beroep op medehuurderschap. Vordering afgewezen nu niet blijkt dat de zoon zijn hoofdverblijf had in het gehuurde, niet blijkt van een gemeenschappelijke huishouding en niet aannemelijk is geworden dat de zoon in staat is de huur t
Huurzaak, vordering ex art. 7:268 lid 2 BW afgewezen, duurzaam gemeenschappelijke huishouding