Huurrecht. Dochter van overleden huurders mag de huur voortzetten. De kantonrechter gaat ervan uit dat zij een duurzame gemeenschappelijke huishouding met haar ouders heeft gehad sinds zij in 2020 weer bij haar ouders is ingetrokken.
Burgerlijk Wetboek
Art. 7:268 BW
Genoemd in 375 uitspraken · Officiële wettekst
375 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 5 · live
Kort geding. Huur woonruimte. Verstek. Gevorderde ontruiming niet ongegrond of onrechtmatig. Voortzetting na overlijden huurder op grond van 7:268 lid 2 BW niet aannemelijk. Feitelijk gebruiker van gehuurde moet zijn eigendommen ontruimen. Overweging m.b.t. ontruimingsverplichtin
Toewijzing van een vordering tot ontruiming van een sociale huurwoning. De verhuurder heeft deze woning aan de moeder van gedaagde verhuurd, maar zij is inmiddels overleden. Gedaagde woont nog in de woning maar heeft geen recht op voortzetting van de huur. De verhuurder heeft eer
Wat betreft het toetsingskader verwijst de kantonrechter naar de overwegingen onder 5.5. en 5.6. van het tussenvonnis van 18 december 2024. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat eiser heeft aangetoond dat in dit geval aan de vereisten voor een duurzame gemeenschappelijke
Geen sprake van een duurzame gemeenschappelijk huishouding. Geen sprake van medehuur. Als de verhuurder betwist dat sprake was van een gemeenschappelijke huishouding, moet de medebewoner voldoende concrete feiten over de gemeenschappelijke huishouding aanvoeren.
Vordeiring tot voortzetting huurovereenkomst van kleindochter van overleden huurder afgewezen. Geen duurzaam gemeenschappelijke huishouding.
Huurrecht woonruimte. Toepassing: Hoge Raad 18 februari 1994 (ECLI:HR:1994:ZC1281, NJ 1994, 376) na overlijden procespartij in procedure 7:267 BW. Medehuurderschap wegens duurzame gemeenschappelijke huishouding. Wijziging grondslag naar 7:268 lid 2 BW. Samenwoner (zoon) van overl
Geen gemeenschappelijke huishouding.
Kort geding. Geen recht op voortzetting van de huur gedurende de eerste zes maanden ex artikel 7:268 lid 2 BW. Geen hoofdverblijf en geen duurzame gemeenschappelijke huishouding.
huur woonruimte - overlijden huurder - medehuur - huurovereenkomst ten onrechte voortgezet - betaling huurachterstand artikel 7:268 lid 5 BW - ontruiming
De moeder van partij A was huurder van een standplaats met woonwagen van SWD. Zij is overleden. Partij A wil de huur voortzetten. Hij beroept zich daarbij ten eerste op artikel 7:268 lid 2 BW. Partij A stelt dat hij zijn hoofdverblijf bij zijn moeder had en met haar een duurzame,
Huurzaak. Woonruimte. Inwonende dochter wil huurovereenkomst van overleden moeder voortzetten. Omdat dochter niet de vereiste huisvestingsvergunning heeft, wordt de vordering afgewezen.
Zoon wil huurovereenkomst van zijn overleden vader voortzetten. Kantonrechter heeft vordering afgewezen. Hof bekrachtigt dit vonnis. Geen huisvestingsvergunning overgelegd en onvoldoende aangetoond dat zoon voldoende waarborg biedt voor een behoorlijke nakoming van de huur (art.
Verzoek om voorzetting huurovereenkomst na overlijden moeder afgewezen. Geen sprake van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
7:268 lid 2 BW, vordering voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder afgewezen, duurzame gemeenschappelijke huishouding niet onderbouwd, geen huisvestingsvergunning omdat inkomen te hoog is, tegenvordering tot ontruiming toegewezen, ontruiming uitvoerbaar bij voorraad ve
Deze vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen omdat eiser niet over de vereiste huisvestigingsvergunning beschikt en omdat niet is komen vast te staan dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Afwijzing van de vordering in conventie leidt tot t
Kort geding. Huurder overleden. Zoon van overledene woont in gehuurde. Zoon was geen medehuurder en heeft geen vordering ingesteld tot voortzetting van de huur binnen zes maanden na het overlijden van huurder ingevolge art. 7:268 lid 2 BW. Ontruiming en betalingsachterstand toege
Geen voortzetting van de huurovereenkomst door broer, want er is niet voldaan aan het duurzaamheidsvereiste uit artikel 7268 BW.
Huurrecht. Huurster heeft een periode met haar vader in diens huurwoning gewoond. Zij stelt dat zij medehuurder is en wil op grond van artikel 7:268 BW de huur voortzetten. Deze vordering wordt afgewezen.
Vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst door dochter na overlijden moeder wordt afgewezen. Dochter heeft onvoldoende onderbouwd dat zij haar hoofdverblijf had in de woning. En zelfs als het hoofdverblijf vast komt te staan, heeft dochter met de overgelegde stukken de k
Huur woonruimte, 7:268 lid 2 BW. Mondelinge uitspraak. Bodemprocedure van de zaak die is uitgemond in ECLI:HR:2026:1240. Vonnis uitvoerbaar bij voorraad omdat de vordering kansloos is.
Het gaat in deze zaak om de vraag of een zoon zonder titel of recht verblijft in de woning die zijn overleden moeder huurde. Volgens de zoon heeft hij recht op voortzetting van de huurovereenkomst. De zoon heeft in deze procedure echter niet aannemelijk gemaakt dat hij voldoet
Zoon mag huurovereenkomst voortzetten na overlijden moeder.
Voortzetting huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 BW. Zoon van overleden huurster mag de huurovereenkomst voortzetten, omdat voldoende is komen vast te staan dat sprake is van een duurzame gemeenschapelijke huishouding, die wederkerig is geweest. Verhuurder kan zich in dit
7:268 lid 2 BW. Vordering tot voortzetting huurovereenkomst na overlijden huurder afgewezen; duurzame gemeenschappelijke huishouding onvoldoende onderbouwd. Reconventionele vordering tot ontruiming toegewezen, ontruiming niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard.