Verkrijgende verjaring strook grond. Bewijsopdracht. Misbruik van bevoegdheid bij revindicatie?
Burgerlijk Wetboek
Art. 3:314 BW
Genoemd in 469 uitspraken · Officiële wettekst
469 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 11 · live
.
Burenrecht. Verjaring rechtsvordering tot beëindiging bezit. Bestraten en onderhouden klein strookje grond voor eigen woning brengt in de gegeven omstandigheden mee dat naar verkeersopvatting sprake is van bezit
Een agrariër stelt dat hij door bevrijdende verjaring ex artikel 3:105 BW en verkrijgende verjaring ex artikel 3:99 BW eigenaar is geworden van bepaalde gemeentegronden omdat hij die gronden gedurende enkele tientallen jaren heeft betrokken bij de exploitatie van de agrarische on
erfgrensgeschil; verjaring naar oud en nieuw recht
Geschil met betrekking tot (onder meer) een glazen doolhof (kermisattractie). Huurovereenkomst levert dwingend bewijs op van eigendom (art. 157 Rv). Geen ruimte voor tegenbewijs. Geen verjaring. Doolhof moet terug. Gedaagde mag wel tegenbewijs leveren tegen de voorshands bewezen
De advocaat van appellant heeft zijn hoedanigheid van advocaat verloren, doordat hij zich heeft laten uitschrijven van het tableau. Het geding is daardoor van rechtswege geschorst en alle daarna verrichte proceshandelingen zijn nietig. Zie de artikelen 225 en 226 Rv. Het geding i
Conventie: vordering VvE. Ontvankelijkheidsverweer op basis van nietigheid van het besluit om gedaagde te dagvaarden is afgewezen. Het - in beginsel - nietige besluit is bekrachtigd in een vergadering van de VvE. Verklaring voor recht dat geen sprake is van verjaring van het excl
Beroep op verkrijging van een strook grond door bevrijdende verjaring.
Goederenrecht. Merkenrecht. Verkrijging van merkenrechten te goeder trouw van beschikkingsonbevoegde rechtsopvolger geprivatiseerde Russische staatsonderneming? Inroeping nietigheid merkendepot (art. 14.B BMW). Depot te kwader trouw (art. 14bis BMW)? Valt gedogen aan te merken al
eigendom pad, in akte van levering tot uitdrukking gebrachte partijbedoeling, verkrijgende verjaring, daden van bezit
Geschil over een erfgrens en het snoeien van een boom. Uiteenzetting van de regeling van verkrijgende verjaring naar oud en nieuw recht. Inbezitname. Bewijs.
Vraag of erfdienstbaarheid van weg is ontstaan dan wel dat sprake is van een bermweg door tweemaal per maand over erf van buurman te rijden. Geen verjaring van bezit van erfdienstbaarheid te kwader trouw omdat termijn van 20 jaar niet is verstreken. Er is gelet op de voorgeschied
Verjaringskwestie.
Verkrijging door verjaring rechtsvordering tot beëindiging bezit, art. 3:105 BW. Goede trouw opvolgende bezitter(s) niet vereist. Art. 3:102 BW niet van toepassing.
Art. 81 RO. Goederenrecht. Beroep op verkrijgende verjaring ten aanzien van een stuk grond; art. 3:105 BW. Procesrecht; afwijzing (tweede) verzoek om pleidooi in appel.
Verkrijgende verjaring; erfgrens; mandeligheid.
Vaststellingsovereenkomst. Verkrijgende verjaring. Buren corresponderen over de plaats van een schutting tussen hun percelen. Het hof oordeelt dat geen vaststellingsovereenkomst tot stand is gekomen. Voorshands is bewezen dat een perceelsgedeelte door verjaring is verkregen. Het
Voortzetting van tussenuitspraak van 19 april 2011, LJN BT1826 Bezit of houderschap van een strook grond? Door het planten van struiken in overleg met eigenaar aangrenzend perceel en vóór kadastrale inmeting staat het ondubbelzinnige bezit vast. Geen bezitsverlies. Extinctieve ve
Vermogensrecht. Geen verkrijgende verjaring van strook grond ex art. 3:105 BW. Hof had moeten onderkennen dat na de erkenning in de zin van art. 3:318 BW, waardoor de verjaring werd gestuit, op de voet van art. 3:319 BW een nieuwe verjaringstermijn van vijf jaren aanving. In dit
Door verjaring van de rechtsvordering van de eigenaar van de grond verkrijgt de bezitter erfdienstbaarheid van weg. Overgangsrecht.
Bevrijdende verjaring ten aanzien van stuk gemeentegrond? Nee. Geen inbezitname van de grond door hierop coniferen te planten en een schuurtje te plaatsen. De termijn van verjaring van de rechtsvordering strekkende tot opeising van de grond is daardoor nog niet verstreken.
Indien appellant geen rechthebbende op het perceel was heeft hij door er een huis te bouwen en er te gaan wonen bezit van genomen. Dat appellant het voor een ander hield, is gesteld noch gebleken. De rechtsvordering tot opheffing van deze onrechtmatige toestand verjaart door verl
Onduidelijk is gebleven wanneer het medegebruik precies is gestart. Volgens [appellanten] maakte gemotoriseerd verkeer (het hof begrijpt:) van en naar het achterste deel van het perceel van [familie A] al vanaf 1962 gebruik van de grintweg (akte d.d. 9 februari 2007 houdende reac
Naar 's hofs voorlopig oordeel is in het onderhavige geval in onvoldoende mate aannemelijk geworden dat de opvaart aan dit vereiste voldoet. Aannemelijk is weliswaar dat de opvaart wel openstaat voor gebruik als vaarwater; dat sprake is ondieptes doet daaraan naar 's hofs oordeel