Het na openbaarmaking innen van een stil verpande vordering is niet hetzelfde als een executie van dat pandrecht. Pandhouder met ouder recht behoudt voorrang op het geïnde.
Burgerlijk Wetboek
Art. 3:255 BW
Genoemd in 14 uitspraken · Officiële wettekst
14 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Goederenrecht. Pandrecht. Is rangwijziging bij pandrecht mogelijk? Analoge toepassing van art. 3:262 lid 1 BW (hypotheekrecht)? Strekt de inningsbevoegdheid van de pandhouder zich uit over alle vorderingen die aan hem zijn verpand, ongeacht het beloop van de vordering waarvoor he
In deze zaak is de vraag aan de orde of ING aansprakelijk is tegenover de boedel in het faillissement van X Vastgoed B.V. . Volgens de curator heeft ING haar vordering op X uit hoofde van verstrekte financiering op ongeoorloofde wijze opgeëist en geïncasseerd. Tussen partijen sta
Artikel 3:40 BW overeenkomst van 'geldlening' tevens inhoudende verpanding van vorderingen die blijkens de considerans ten doel heeft liquide middelen buiten het bereik van schuldeisers te brengen en daarover zelf de beschikking te houden is nietig wegens strijd met de goede zede
Goederenrecht. Pandrecht. Is rangwijziging bij pandrecht mogelijk? Analoge toepassing van art. 3:262 lid 1 BW (hypotheekrecht)? Strekt de inningsbevoegdheid van de pandhouder zich uit over alle vorderingen die aan hem zijn verpand, ongeacht het beloop van de vordering waarvoor he
Overeenkomstenrecht. Nietigheid wegens strijd met goede zeden (art. 3:40 lid 1 BW). Overeenkomst strekt tot benadeling schuldeisers. Voor nietigheid vereist dat schuldeisers daadwerkelijk worden benadeeld? Beroep op nietigheid naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaan
-
bewijs eigendom contant geld, bewaarnemingsovereenkomst? profiteren van wanprestatie?
Art. 81 lid 1 RO. Insolventierecht; goederenrecht. Pandhouder vraagt faillissement panddebiteur aan. Is pandrecht tenietgegaan omdat de vordering waarvoor het pandrecht is gevestigd niet meer bestaat?
Arrest na verwijzing arrest Hoge Raad van 19 december 2014 (ECLI:NL:HR:2014:3650). Nietigheid geldlening wegens strijd met goede zeden op grond van artikel 3:40 lid 1 BW. Artikel 6:2 lid 2 BW.
Openbaar gemaakt stil pandrecht op vorderingen. Tussen pandgever en pandhouder is in geschil of de pandgever een schuld heeft aan de pandhouder en beiden eisen betaling van de debiteur. Debiteur betaalt vervolgens aan pandgever in plaats van aan pandhouder. Pandhouder eist daarop
Bevoegdheid pandhouder tot parate executie, art. 3:248 lid 1 BW. Onderhandse executieverkoop door pandgever, art. 3:251 lid 2 BW (HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7109, NJ 2012/74 (ING/Hielkema q.q)). Pandhouder ook na faillissement gerechtigd tot executieopbrengst, art. 3:
Incident tot niet-ontvankelijkverklaring. In hoofdzaak deels zelfde vordering aan de orde als in (lopende) appelprocedure in andere zaak. Misbruik van procesrecht. Deels niet-ontvankelijk. Kantonrechter niet bevoegd t.a.v. vordering inzake uitwinning pand.
Stil pandrecht op vorderingen gevolgd door omzetting in, resp. vestiging van, openbaar pandrecht. Pandgever betaalt vervolgens nog ontvangen bedragen door aan pandhouder. Faillissement pandgever. Curator vecht (deels vóór faillietverklaring, deels daarna voltooide) doorbetalingen