Art. 81 lid 1 RO. Insolventie- en executierecht. Verzoek tot opening rangregeling en benoeming rechter-commissaris (art. 481 Rv). Klachten tegen afwijzing verzoek.
Burgerlijk Wetboek
Art. 3:251 BW
Genoemd in 135 uitspraken · Officiële wettekst
135 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 2 · live
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Faillissementsrecht. Is omzetbelasting over verkoop als gevolg van parate executie door pandhouder boedelschuld? Verwijzing naar o.m. ander HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7109, NJ 2012/74 (ING/Hielkema q.q.), en HR 19 april 2013, ECLI:NL
Vordering eiseres tot medewerking van gedaagde aan onderhandse executoriale verkoop en, in verband daarmee, tot afgifte van door gedaagde beslagen en bezwaarde zaken.
kort geding; afwijzing verbod executoriale veiling aandelen. Geen strijd met het toe-eigeningsverbod van artikel 3:235 BW of met artikel 3:250 BW. Geen misbruik van executiebevoegdheid. Veiling met voldoende waarborgen omkleed.
Non-conformiteit stadion. Loskomen van bouten en moeren. Normaal gebruik en onderhoud. Onderzoeks- en mededelingsplicht. Klachtplicht. Verkoop en levering aan de executiekoper van een verpande vordering tot vervangende schadevergoeding van de failliete oorspronkelijke koper op de
Bestuurdersaansprakelijkheid, selectieve betaling, profiteren van wanprestatie, vereenzelviging, uitvoerbaar bij voorraad
Uitverkoop in verband met bedrijfsbeëindiging ondernemer die nadien in de schuldsanering terecht komt. Positie van pandhouder/eigendomsvoorbehoudgerechtigde. Uitverkoop is niet geschied in het kader van een van artikel 3:251 lid 2 BW afwijkende verkoopafspraak als bedoeld in HR 1
Onrechtmatige selectieve betaling, onrechtmatig handelen bestuurder.
Overdracht tot zekerheid van roerende zaken aan financieel adviseur nietig op grond van artikel 3:84 lid 3 BW. De inpandgeving van die zaken die daaraan vooraf is gegaan herleeft. Vordering tot vernietiging van de inpandgeving wordt afgewezen.
Faillissementsrecht. Rangorde (art. 3:277 BW). Aan bank verpande, door curator onrechtmatig geïnde vorderingen. Gaat boedelvordering van de pandhouder wegens schadevergoeding voor op de kosten van executie en vereffening, waaronder het salaris van de curator? (HR 28 september 19
Pandrecht; artt. 3:227 BW en 3:278 lid 1 jo. 3:279 BW. Geen sprake van lossing of oneigenlijke lossing. Vaststelling waarde verpande roerende zaken. onverschuldigde betaling.
kort geding, afgifte auto’s, overeenkomst ex art. 3:251 BW,
Bevoegdheid pandhouder tot parate executie, art. 3:248 lid 1 BW. Onderhandse executieverkoop door pandgever, art. 3:251 lid 2 BW (HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7109, NJ 2012/74 (ING/Hielkema q.q)). Pandhouder ook na faillissement gerechtigd tot executieopbrengst, art. 3:
opheffingsuitverkoop
Verrekening van huurpenningen voor faillissement, maar na toepassing van bodemverhuurconstructie, en na faillissement.
Vóór faillissement sluiten (latere) failliet/pandgever en bank/(vuist)pandhouder een overeenkomst als bedoeld in art. 3:251 lid 2 BW. Bank verkoopt op grond van die overeenkomst na faillissement van de pandgever de verpande zaken onderhands i.p.v. openbaar. Benadeling crediteuren
De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam heeft het verzoek van pandhouder De Deutsche Bank om het Nederlandse deel van de kunstcollectie van DS Art, in plaats van op een openbare veiling, onderhands aan een particulier te verkopen, afgewezen. De voorzieningenrechter kan
Verzoek ex artikel 3:251 lid 1 BW. De voorzieningenrechter heeft – kort samengevat – geoordeeld dat het verzoek van de bank moet worden afgewezen, nu niet aannemelijk is geworden dat de voorgestelde wijze van onderhandse verkoop meer zal opleveren dan een openbare verkoop ex arti
Faillissement (art. 57 F.); verleggingsregeling als bedoeld in art. 12 lid 4 Wet op de omzetbelasting 1968 jo. art. 24ba lid 1, aanhef en onder d, Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968; Richtlijn 2006/112/EG. Onderhandse verkoop door curator krachtens overeenstemming met pandhou
Geschil tussen curator en de bank over de verkoop van de handelsvoorraad van gefailleerde door die bank. De Bank had pandrecht op de verkochte zaken. De overeenkomst van vuistpand was niet vernietigd o.g.v. art. 24 Faillissementswet. Bank mocht ook tijdens faillissement tot verko
Omzetbelasting. Verkoop activa door BV aan gelieerde BV met berekening van BTW. Kopende BV heeft geen recht op afrtrek, hetzij omdat de verkopende BV geen ondernemer is, hetzij omdat art. 31 Wet OB 1968 van toepasing is. Het beroep op het Besluit van 23 april 1986, V-N 1986, blz.
Faillissementsrecht; verzet tegen slotuitdelingslijst en vereenvoudigde afwikkeling (81 RO).
Aansprakelijkheidsrecht. Geschil tussen pandgever en pandhouder over schadevergoeding na een onderhandse in plaats van executoriale verkoop van de in pand gegeven goederen (81 RO).
De bewindvoerder voert hiertoe - kort gezegd - primair aan dat Tiemex c.s. onrechtmatig heeft gehandeld, door zonder toestemming van de curator over te gaan tot de verkoop van bij Tiemiex Warehousing Nijmegen opgeslagen goederen, die als eigendom van betrokkene tot de faillisseme
Met de curator is het hof van mening dat hieruit blijkt dat de curator en de Rabobank afspraken hebben gemaakt, inhoudende (i) dat de curator voor en namens de Rabobank zal verkopen, (ii) dat de Rabobank daarvoor een boedelbijdrage conform de separatistenregeling zal betalen en (