-
Burgerlijk Wetboek
Art. 3:245 BW
Genoemd in 12 uitspraken · Officiële wettekst
12 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Procesrecht. Pandrecht. Kan pandhouder van vordering op naam na mededeling pandrecht aan de schuldenaar een lopende procedure over vordering overnemen van pandgever middels schorsing en hervatting (art. 225 e.v. Rv)? Rechtsopvolging en -verkrijging tijdens geding. Subjectieve omv
-
Vordering gemeente op basis van pandrecht. Onrechtmatig handelen beleggingsadviseur jegens de Stichting X. Geldigheid pandrecht en omvang van de door de Stichting geleden schade. 20% eigen schuld van de Stichting.
Gedaagde heeft een aanzienlijke vordering op één van eisers en heeft in dat verband executoriaal beslag gelegd op roerende goederen. Geen sprake van misbruik van (beslag- en executie)recht als bedoeld in artikel 3:13 BW. Geen grond voor teruggave goederen. Afwijzing vorderingen.
Ontslag van instantie en incident voeging/tussenkomst. Voeging wordt afgewezen omdat gesteld wordt dat de originele procespartij door de stille cessies geen vordering toekomt en omdat de curator de procedure niet heeft overgenomen. Omdat WPR stelt een eigen vordering te hebben, w
Procesrecht. Vordering met betrekking tot processueel ondeelbare rechtsverhouding (boedelbeschrijving en verdeling nalatenschap). Te dagvaarden partijen; HR 8 november 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0405, NJ 1992/34. Gelegenheid tot herstel op de voet van art. 118 Rv; HR 15 maart 2013,
Vraag of bank in strijd met bijzondere zorgplicht heeft gehandeld door tot openbare verkoop van de woning over te gaan en door als pandhoudster geen bodemprocedure tegen de brandverzekeraar van kredietnemer te entameren, doch daarentegen een minnelijke regeling te treffen. Art. 3
(Stil) pandrecht op vordering. Overgang van schuldeisersbevoegdheden na vestiging beperkt recht; wettelijke regeling. Bevoegdheid pandhouder tot inning en opzegging van vordering na mededeling , art. 3:246 lid 1 en 2 BW. Bevoegdheid pandgever tot kwijtschelding, art. 6:160 BW, ve
Vraag of bank als pandhouder gehouden was om tijdens het faillissement van een pandgever de verjaring van de door deze pandgever aan haar verpande vorderingen te stuiten.
12 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C02/321HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. R.Th.R.F. Carli, t e g e n: [De vrouw], wonende te [woonplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr.
12 maart 2004 Eerste Kamer Nr. C02/319HR JMH/MD Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: [De vrouw], wonende te [woonplaats], EISERES tot cassatie, advocaat: mr. E. Grabandt, t e g e n [A] B.V., gevestigd te [vestigingsplaats], VERWEERSTER in cassatie, advocaat: mr. R.Th.