Pandrechten. Inningsbevoegdheid pandhouder na openbaarmaking pandrecht.
Burgerlijk Wetboek
Art. 3:231 BW
Genoemd in 42 uitspraken · Officiële wettekst
42 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Bevoegdheid hypotheekhouder tot executie bankhypoheek; rechtspraak of hypotheekakte na uitwinning kan dienen als executoriale titel in de zin van artikel 430 Rv (HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4889 en HR 26 juni 10992, NJ 1993/449)niet van toepassing. Zorgplicht bank niet
-
Toekomstige vordering van hypotheekhouder valt onder het hypotheekrecht (art. 3:231 lid 2 BW jo. art. 3:260 lid 1 BW). Hypotheeknemer moet de kosten voor de opgestarte executie betalen (art. 3:270 lid 1 BW). Oneerlijk beding, maar terugvalverbod is niet van toepassing. Hypotheekh
Overeenkomst van geldlening gesloten tussen ene broer (eiser) enerzijds en andere broer met zijn echtgenote (gedaagde) anderzijds, vlak voor het overlijden van de andere broer. Geen sprake van dwaling of misbruik van omstandigheden. Geldigheid overeenkomst voorshands bewezen, ged
tenietgaan recht van hypotheek, uitleg hypotheekakte, betekenis obligatoire overeenkomst na faillissement contractspartij
ongeldige stampandakte; met vervolgpandakten is zelfstandig een stil pandrecht gevestigd; geen mededeling van de rechtsgeldige verpanding gedaan vóór memorie van grieven; curator stemt in met verrekening door crediteur van de gefailleerde: in de verhouding tussen twee crediteuren
Faillissementsrecht. Overgang ‘bankzekerheden’. Vestiging nieuw pandrecht? Vraag ter securering van welke vorderingen een pandrecht op roerende zaken strekt (art. 3:231 lid 2 BW).
Artikel 3:260 lid 1 BW bepaalt dat de hypotheekakte een aanduiding moet bevatten van de vordering waarvoor de hypotheek tot zekerheid strekt, of van de feiten aan de hand waarvan die vordering zal kunnen worden bepaald. Bij de beantwoording van de vraag of aan dit vereiste is vol
Moet het gevestigde recht van pand en hypotheek op de zaken en de woning van eiser in stand blijven of moet dit vervallen verklaard en doorgehaald worden? Artikel 3:7 BW; 3:231 lid 2 BW; primair gevorderde verklaring voor recht dat geen sprake is van een rechtsgeldige borgtocht e
11 maart 2005 Eerste Kamer Nr. C03/313HR RM/AT Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: COÖPERATIEVE CENTRALE RAIFFEISEN BOERENLEENBANK B.A., gevestigd te Amsterdam, EISERES tot cassatie, advocaat: mr. J. de Bie Leuveling Tjeenk, t e g e n 1. STORMPOLDER VASTGOED B.V., ge
In deze Antilliaanse zaak gaat het om het toestemmingsvereiste van art. 159 (oud) BWNA, het equivalent van art. 1:88 BW. Geldt dit vereiste ook wanneer vóór de huwelijkssluiting een bankborgtocht is verleend waarop ná de huwelijkssluiting krediet wordt verleend?
-
-