Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ondernemingskamer stelt wanbeleid vast van naamloze vennootschap en stelt vast wie daarvoor verantwoordelijk zijn. Klachten dat een niet-verschenen belanghebbende niet deugdelijk is opgeroepen en dat de ondernemingskamer bij verbeteri
Burgerlijk Wetboek
Art. 2:345 BW
Genoemd in 160 uitspraken · Officiële wettekst
160 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 2 · live
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Tweedefasebeschikking. Conclusie in samenhangende zaken 23/03186 en 23/03233. Klachten met betrekking tot OK-oordeel inzake wanbeleid (art. 2:355 BW), vernietiging déchargebesluiten (art. 2:356 BW) en veroordeling in onderzoekskosten (art. 2:354 B
-
vaststelling van wanbeleid en verantwoordelijkheid voor wanbeleid
Ondernemingskamer uitspraak 15 februari 2013 inzake Van der Moolen Holding N.V.
Enquêterecht. Verzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW kan niet meer worden ingetrokken indien hierop met een uitdrukkelijk dictum is beslist; meest gerede partij kan zich met een verzoek tot beëindiging tot de ondernemingskamer richten. Oordeel dat curatoren van de failliete r
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Eerstefasebeschikking inzake Funda. Middellijk (meerderheids)aandeelhouder en onderwerp van enquêteprocedure/onderzoek. Middellijk (meerderheids)aandeelhouder en art. 2:8 lid 1 BW. Onderscheid tussen middellijk en onmiddellijk (meerderheids)aandee
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ondernemingskamer heeft geoordeeld dat enquêteverzoek niet op redelijke grond is gedaan (art. 2:350 lid 2 BW). Klacht dat ondernemingskamer een verkeerde maatstaf heeft gehanteerd dan wel terughoudendheid heeft miskend bij oordeel ove
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Ondernemingskamer heeft concernenquête gelast naar beleid en gang van zaken van zowel SNS Reaal als haar dochtervennootschap SNS Bank. Maatstaf voor concernenquête. Samenhang met zaak 18/04511 (ECLI:NL:HR:2020:479).
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Procesrecht. Ondernemingskamer stelt wanbeleid vast van naamloze vennootschap en stelt vast wie daarvoor verantwoordelijk zijn. Klachten dat een niet-verschenen belanghebbende niet deugdelijk is opgeroepen en dat de ondernemingskamer bij verbeteri
Art. 81 lid 1 RO. Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Vervolg op HR 11 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2578. Bezwaren tegen onmiddellijke voorziening; art. 2:349a BW; benoeming van bestuurder van de vennootschap. Samenhang met 16/03894.
uitspraak Ondernemingskamer 31 december 2009; Stichting Continuiteit Inter Access Groep/Inter Access Groep B.V.
Ondernemingsrecht. Toewijsbaarheid van enquêteverzoek betreffende een failliete rechtspersoon (QWEST); doeleinden enquêterecht, HR komt niet terug van zijn rechtspraak sinds HR 10 januari 1990, nr. 21, NJ 1990, 466 (Ogem); aard en strekking van enquêteregeling, uitwerking van HR
24 juni 2005 Eerste Kamer Rek.nr. R04/109HR (OK 113) JMH/RM Hoge Raad der Nederlanden Beschikking in de zaak van: Mr. Paul Reinier Willem SCHAINK, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van DecideWise International B.V., wonende te Amsterdam, VERZOEKER tot cassatie
Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Zelfstandig tegenverzoek tot gelasten van enquête en treffen van onmiddellijke voorzieningen. Maatstaf van art. 2:350 lid 1 BW. Stellingen inzake voorbereiding beursnotering. Oordeel dat verzoek volgens OK niet op redelijke grond is gedaan (art. 2
Aansprakelijkheid gerechtsdeskundige. Waardering van aandelen in een verdelingsprocedure. Aansprakelijkheidsmaatstaf.
Enquêterecht. Onmiddellijke voorzieningen. Art. 2:349a lid 2 BW. Onderzoek naar wanbeleid vooralsnog niet aangevangen. Geen strijd met stelsel van de wet (vgl. HR 27 september 2000, LJN AA7245, NJ 2000/653(Gucci)). Onmiddelijke voorziening inhoudend dat bestuur bevoegd is tot het
Enquêterecht. Belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv.
Enquêterecht. Vertegenwoordiging rechtspersoon. Gegronde redenen om aan juist beleid te twijfelen (art. 2:350 lid 1 BW).
Enquêterecht. Ontvankelijkheid. Belang. Doeleinden enquête. Vaststelling wanbeleid zonder definitieve voorzieningen te treffen. Vaststelling wanbeleid voor partijen bindend behoudens cassatie. Begrip wanbeleid. Werkwijze onderzoeker. Art. 6 EVRM.
Procesrecht. Executiegeschil, verbeurte van dwangsommen. Gezag van gewijsde van beschikking in enquêteprocedure (art. 2:349a lid 2 BW) waarin ondernemingskamer als dwangsomrechter optrad? Rechts- en motiveringsklachten.
Caribische zaak (Sint Maarten). Ondernemingsrecht. Enquêterecht. Afwijzing enquêteverzoek bij vierde beschikking o.b.v. belangenafweging.
OK; enquêterecht; afwijzing van het verzoek de benoeming van de OK-bestuurder te beëindigen en een andere persoon tot OK-bestuurder te benoemen; er wordt bepaald dat de vennootschappen hoofdelijk gehouden zijn de redelijke en in redelijkheid te maken kosten van verweer van de OK-
Ondernemingsrecht. Enquêteprocedure. Ontvankelijkheid gewezen aandeelhouders van SNS-bank na onteigening van hun aandelen op grond van de Interventiewet. Strijd met kapitaalseis van art. 2:346 BW? Parallellie met HR 11 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:905, NJ 2014/296 (Slotervaartziek
Enquêterecht. Is door ondernemingskamer gehoorde onderzoeker partij of belanghebbende in de zin van art. 426 Rv? Taak onderzoeker; art. 2:345, 351, 352 en 352a BW. Dient onderzoeker (i) een kopie van gespreksopnames ter beschikking van geïnterviewde personen te stellen, en (ii) h