Afwijzing verzoek tot faillietverklaring ontbonden vennootschap. De rechtspersoon is op grond van artikel 2:19 lid 4 BW opgehouden te bestaan omdat er geen baten meer aanwezig zijn (turboliquidatie). Niet summierlijk gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk
Burgerlijk Wetboek
Art. 2:248 BW
Genoemd in 1.261 uitspraken · Officiële wettekst
1.261 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 2 · live
Herleving van een ontbonden rechtspersoon in een procedure tot faillietverklaring omdat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn en ook aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan. De rechtspersoon
Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement; schending administratie- en publicatieplicht (art. 2:248 BW). Voorschot en bestuursverbod (art. 106a FW). Overeenkomst van geldlening; echtheid van overeenkomst; uitleg afspraken; terugbetaling. Onverschuldigde betaling.
Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Boekhoudplicht ex artikel 2:10 BW. Bewijsvermoeden van artikel 2:248 lid 2 BW. Andere van buiten komende oorzaken die tot het faillissement hebben geleid. Onttrekkingen van activa uit het vermogen van de vennootschap voorafgaand aan
In deze zaak verwijt de curator de bestuurders van het bedrijf primair dat zij deze vennootschap kennelijk onbehoorlijk hebben bestuurd. Omdat dat in de ogen van de curator een belangrijke reden is voor het faillissement van het bedrijf, zijn de bestuurders volgens de curator aan
Bestuurdersaansprakelijkheid. Vraag of de zoon van de formele bestuurders is opgetreden als feitelijk beleidsbepaler en daarom voor de toepassing van artikel 2:248 BW met een bestuurder gelijk moet worden gesteld. In het tussenarrest (ECLI:NL:GHARL:2023:7627) heeft het hof de ste
Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement van zorginstelling, pauliana, selectieve betaling.
Gedaagde 1 heeft in juli 2013 zijn woonboerderij met bijbehorende opstallen en bijbehorende percelen verkocht en overgedragen aan gedaagde 2. Deze stichting heeft vervolgens hypotheekrechten op de onroerende zaken verstrekt aan gedaagde 3 . In beide stichtingen is gedaagde 1 best
Kennelijk onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 BW. Administratieplicht rust op het bestuur in fuctie, niet (meer) op een oud-bestuurder die zijn taken heeft overgedragen. Publicatieplicht geschonden. Privé-onttrekkingen en -uitgaven niet verantwoord. Curator spreekt alleen de ou
De curator stelt dat gedaagden, als ((in)direct) bestuurder van eiser, te lichtvaardig en met onvoldoende middelen de onderneming zijn gestart en daarbij onvoldoende oog hebben gehad voor de belangen van de schuldeisers. Volgens de curator hebben gedaagden hun taak als bestuurder
De curator houdt gedaagden als voormalige (indirecte) bestuurders van bedrijf 1 aansprakelijk voor het tekort in het faillissement van bedrijf 1, en gedaagde 1 als voormalig bestuurder van bedrijf 2 voor het tekort in het faillissement van bedrijf 2. De rechtbank wijst de primair
Bij vonnis van 24 augustus 2021 is het bedrijf in staat van faillissement verklaard. Gedaagde is een groot gedeelte van het bestaan van het bedrijf bestuurder geweest. De rechtbank is van oordeel dat gedaagde de administratieplicht die geldt voor bestuurders van een vennootschap
aansprakelijkheid bestuurder wegens het niet uitvoeren van bestuurswerkzaamheden
Kennelijk onbehoorlijk bestuur ex artikel 2:248 BW. Niet voldaan aan publicatieplicht artikel 2:394 BW. Niet afbouwen en verder laten oplopen rc-schuld en uitkeren van dividend bedrag van omvang als aan de orde zou in de omstandigheden geen redelijk denkend bestuurder doen. Belan
De rechtbank oordeelt dat bestuurders van een bedrijf onbehoorlijk hebben gehandeld. Zij worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van het boedeltekort en om aan de curator een voorschot te betalen op wat zij aan de boedel zijn verschuldigd.
Bestuurdersaansprakelijkheid. Bestuurder kan ernstig verwijt worden gemaakt omdat hij ofwel niet heeft geacteerd op post die aan de vennootschap is gezonden ofwel er niet voor heeft gezorgd dat hij van die post kennis heeft genomen. Daardoor zijn af te dragen pensioenpremies en s
Bestuurdersaansprakelijkheid. Gedaagde heeft de belangrijkste, eigenlijk enige taak die de BV had, namelijk het innen van rente en aflossing van haar enige schuldenaar, veronachtzaamd. Omdat dit de ‘core business’ van de failliete BV was, wordt dit veronachtzamen als belangrijke
De rechtbank Overijssel oordeelt dat een bestuurder van een gefailleerde vennootschap aansprakelijk is voor het boedeltekort. Twee voormalig bestuurders zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die is ontstaan vanwege onbehoorlijk bestuur. Zij worden hoofdelijk veroordeeld to
Vordering tot oproeping in vrijwaring toewijsbaar.
Bestuurdersaansprakelijkheid o.g.v. 2:248 BW / 2:9 BW / 6:162 BW. Schending publicatieplicht en boekhoudplicht. Aangesproken bestuurder heeft bewijsvermoeden artikel 2:248 lid 2 BW ontzenuwd. Curator wordt toelaten tot bewijslevering.
vordering curator bestuurdersaansprakelijkheid, diverse grondslagen
Bestuurdersaansprakelijkheid. Aannemingsovereenkomst. Aannemer heeft van de opdrachtgever een voorschot ontvangen en heeft dit doorbetaald aan een zustervennootschap. Aannemer wordt veroordeeld tot terugbetaling van het voorschot, maar betaalt niet en gaat failliet. Bestuurder w
Bestuurdersaansprakelijkheid in het kader van het faillissement van een vennootschap. De curator stelt de middellijk bestuurders aansprakelijk voor het boedeltekort en stelt een derde persoon aansprakelijk wegens zijn gestelde feitelijk leidinggevende rol. De rechtbank zet het re
Vordering curator tegen bestuurder failliete vennootschap primair gegrond op artikel 2:248 BW. Te late publicatie jaarrekeningen en schenden boekhoudplicht. Vermoeden dat dat belangrijke oorzaken zijn van het faillissement weerlegd. Vordering op subsidiaire grondslag van artikel
Eindvonnis in de zaak waarin eerder een tussenvonnis is gewezen (zie: ECLI:NL:RBOVE:2021:1445). De rechtbank komt tot het oordeel dat gedaagden sub 3 en 4 niet in hun bewijsopdracht zijn geslaagd en hen daarom geen beroep op disculpatie als bedoeld in artikel 2:248 lid 3 BW toeko