bestuurdersaansprakelijkheid. Boekhoudplicht. Publicatieplicht. Onbehoorlijk bestuur
Burgerlijk Wetboek
Art. 2:247 BW
Genoemd in 53 uitspraken · Officiële wettekst
53 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 2 · live
Faillissement. Bestuurdersaansprakelijkheid. De vorderingen van de curator zijn in beginsel voor toewijzing vatbaar. De rechtbank ziet echter, alvorens aldus te beslissen, aanleiding om met partijen te overleggen over een minnelijke regeling.
Geen beroepsfout advocaat.
hoger beroep
Geen bestuurdersaansprakelijkheid. Volstortingsplicht en inbrengtransactie. Wel twee deelvorderingen toegewezen. Schadevergoeding en pauliana.
Bij vonnis van 2 juni 2014 heeft de rechtbank Amsterdam op verzoek van Gevi Gorssel de vennootschap Gevi International in staat van faillissement verklaard. Gevi International heeft tijdig van dit vonnis hoger beroep ingesteld. Op 9 september 2014 is dit hoger beroep door het ger
Geldvordering curator; bestuurdersaansprakelijkheid.
Vernietiging rechtshandeling, (ver)koop van een wagenpark, wegens het ontbreken van schriftelijke vastlegging ingevolge artikel 2:247 BW. Over het algemeen zal ook door latere vastlegging aan het voorschrift kunnen worden voldaan, maar wel pas ná de wilsovereenstemming tussen par
Renvooiprocedure. In verband met de strekking daarvan is in een renvooiprocedure geen plaats voor de beantwoording van de vragen of de failliet een vordering heeft op haar moeder/bestuurder/schuldeiser uit hoofde van artikel 2:248 BW, of de failliet vorderingen heeft op haar moed
Bestuurdersaansprakelijkheid na faillissement. Vordering afgewezen.
Aansprakelijkheid voor boedeltekort o.g.v. 2:248 BW; gedaagde sub 1 heeft haar bestuurstaak onbehoorlijk vervuld; gedaagde sub 2 hoofdelijk mede-aansprakelijk o.g.v. art. 2:00 BW; vernietiging betalingen aan gedaagde sub 3 o.g.v. art. 42 Fw.
De curator vordert als onverschuldigd betaald een bedrag terug van K& P omdat zij geen overeenkomst met de failliete vennootschap heeft gesloten, althans omdat de curator deze overeenkomst buitengerechtelijk heeft vernietigd. Hij heeft zijn vordering onvoldoende onderbouwd.
Bestuurdersaansprakelijkheid. Curator heeft reeds gemaakt dat onbehoorlijke bestuur een oorzaak van het faillissement was, waardoor de bestuurder niet meer een andere oorzaak aannemelijk mag maken.
Kort gezegd is er volgens de curator sprake van een constructie die ten doel had de destijds enig aandeelhouder – gedaagde Beheer – in staat te stellen een vordering te innen op de ten tijde van de transactie technisch failliete gedaagde B.V. door middel van uitwinning van haar a
-
Beroep op artikel 2:404 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De artikelen 2:247 en 2:207 sub c BW zijn niet van toepassing.
Geschil tussen curator en (indirect) voormalig bestuurder gefailleerde vennootschap, met als inzet gelden op derdenrekening. Vraag of vorderingen op curanda bestaan die door pandrechten gesecureerd zijn.
Schuldoverneming. De schuldoverneming is nietig nu niet aan de vereiste toestemming van de schuldeiser ex artikel 6:155 BW is voldaan. Kennelijk onbehoorlijk bestuur. Vordering tot betaling van het tekort in het faillissement ex. art. 2:248 lid 1 BW. toegewezen. Verstek tegen een
Bestuurdersaansprakelijkheid.
Bestuurders failliete vennootschappen worden aangesproken in verband met stortingsplicht (2:191 BW), verrekeningen in rekening-courant tussen vennootschappen onderling (54 Fw jo. 42 en 47 Fw), een paulianeuze aandelenoverdracht en schending van de boekhoudplicht.
De curator spreekt de holding van de failliete vennootschap en de bestuurder van de holding in prive aan op grond van het niet volstorten van de aandelen - gehonoreerd - een verrekening binnen de concernvennootschappen in strijd met het schriftelijkheidsvereiste en tegenstrijdig
Eis tot verificatie van vordering van Australische moedervennootschap in het faillissement van een ondergekapitaliseerde Nederlandse dochtervennootschap. Stelling van de curator dat de geldlening van de moeder aan de dochter behandeld dient te worden als ware het kapitaalverschaf
In deze zaak heeft de curator in de eerste plaats de nietigheid ingeroepen van rechtshandelingen, verricht tussen de gefailleerde vennootschap (hierna ook te noemen: IMAX) en haar aandeelhouder/bestuurder SMH. Op grond van deze rechtshandelingen hebben in de jaren voorafgaand aan
De curator stelt dat de holding als bestuurder tekortgeschoten is in de uitoefening van haar taak, wat via artikel 2:11 BW door zou werken naar gedaagde 2 en gedaagde 3. Dit tekortschieten zou ernstig zijn. Volgens de curator is er sprake van onbehoorlijk bestuur in de zin van ar
De curator vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat SMH zich schuldig heeft gemaakt aan kennelijk onbehoorlijk bestuur en/of onrechtmatig handelen jegens de gezamenlijke schuldeisers van Imax en op grond daarvan jegens de curator aansprakelijk is voor het faillisseme