Faillissement. Bestuurdersaansprakelijkheid. Rechtbank is van oordeel dat sprake is van wanbestuur van de gefailleerde vennootschappen in de zin van artikel 2:248 BW.
Burgerlijk Wetboek
Art. 2:11 BW
Genoemd in 866 uitspraken · Officiële wettekst
866 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 29 · live
Aansprakelijkheid voor boedeltekort o.g.v. 2:248 BW; gedaagde sub 1 heeft haar bestuurstaak onbehoorlijk vervuld; gedaagde sub 2 hoofdelijk mede-aansprakelijk o.g.v. art. 2:00 BW; vernietiging betalingen aan gedaagde sub 3 o.g.v. art. 42 Fw.
Curator vordert betaling van schulden in faillissement o.g.v. onbehoorlijk bestuur. Gedaagde heeft niet voldaan aan haar verplichtingen uit art. 2 : 10 BW. Wettelijk vermoeden dat dit belangrijke oorzaak van het faillissement is. Gedaagde heeft wettelijk vermoeden niet weerlegd.
Geen matiging op grond van de aangegeven omstandigheden van de bedongen boete ex artikel 6:94 BW. Het is niet, althans nog niet aannemelijk dat de omvang van de totale schade hoger is dan de gevorderde boete. De eisende partij dient zich daarover uit te laten. De bestuurders zijn
Bestuurdersaansprakelijkheid ex 2:248 BW. Wettelijk vermoeden ivm schending van 2: 394 lid 3 en 2:10 BW dat onbehoorlijk bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is. Onvoldoende aannemelijk gemaakt om dit vermoeden te weerleggen. Aansprakelijkheid van de (afgevaardi
Vennootschap spreekt voormalige bestuurders aan omdat deze in strijd met het destijds geldende risicomanagementbeleid te grote risico's zouden zijn aangegaan. Omvang van de decharge die is toegezegd aan een van de bestuurders bij diens vertrek.
Bestuurdersaansprakelijkheid op grond van artt. 2:248, 2:9 en 6:162 BW; administratieplicht; dividenduitkeringen; onbehoorlijk bestuur; ernstige verwijtbaarheid.
Korte samenvatting: Contradictoir. Bestuurder heeft jegens curator recht op inzage in de administratie van zijn gefailleerde vennootschap ogv. zijn vennootschappelijke relatie met de vennootschap. Daarvoor hoeft hij geen beroep te doen op art. 843a Rv. .
Bestuurdersaansprakelijkheid. Publicatieplicht geschonden. Van buiten komende oorzaak faillissement staat niet vast; indien wel het geval, dan hebben bestuurders nagelaten die oorzaak te voorkomen: levert (ook) onbehoorlijk bestuur op.
Faillissementspauliana. Betalingen verricht aan de bestuurder voorafgaand aan het faillissement niet onverplicht in de zin van artikel 42 Fw, nu niet is komen vast te staan dat de bestuurder heeft afgezien van het recht nakoming te vorderen van zijn openstaande vorderingen.
Geen persoonlijk ernstig verwijt bestuurder en dus geen aansprakelijkheid voor het feit dat de onderneming niet aan haar betalingsverplichting kan voldoen. Ten tijde van de verweten gedragingen bestond de betalingsverplichting nog niet. Een bestuurder is in beginsel vrij om zijn
Bestuurdersaansprakelijkheid.
Opheffen beslag. De kort gedingrechter oordeelt dat niet alle gepretendeerde vorderingen ten aanzien van bepaalde eisers deugdelijk zijn. De gedaagde moet een aantal beslagen opheffen.
Bestuurdersaansprakelijkheid. Art. 2:207c lid 2 geen vrij uitkeerbare reserve aanwezig. Beroep op art. 42 Fw is verjaard. Art 9:52 lid 1, aanhef en onder d BW. Hoogte vergoeding managementwerkzaamheden. Ten onrechte bedragen in rekening courant afgeboekt. Onbehoorlijke factuur ar
Bestuurdersaansprakelijkheid in faillissement. Eén van de twistpunten is of de verschenen gedaagde middellijk bestuurder is van de gefailleerde vennootschap. Schending van de administratie- en boekhoudplicht. Herstelvonnis d.d. 1 augustus 2012.
Bestuurdersaansprakelijkheid en gezag van gewijsde
De curator baseert zijn vorderingen op kennelijk onbehoorlijk bestuur door gedaagde als (voormalig) indirect bestuurder van de camping en de aanname dat dit een belangrijke oorzaak was van het faillissement.
Bij inleidende dagvaarding heeft de curator gesteld opposant primair aansprakelijk te houden ex artikel 2:248 Burgerlijk Wetboek (BW), subsidiair ex artikel 2:9 BW en meer subsidiair ex artikel 6:162 BW wegens -kort samengevat- het op grote schaal frauderen met de boekhouding van
Vordering van curator op voormalige (middellijke) bestuurders nadat vennootschap 2 maanden na overname is gefailleerd en de curator geen beschikking heeft gekregen over een deugdelijke administratie. Primaire grondslag is artikel 2:248 BW en subsidiair onrechtmatig handelen jegen
Derdenverzet. Art. 376 Rv. De slotsom is dat niet alleen formeel de mogelijkheid tot derdenverzet niet open staat voor Jaya en CVG, maar dat het belang bij derdenverzet zoals eisers dat stellen niet bestaat. De rechtbank Breda zal zelfstandig de grondslag van de ketenaansprakelij
Bestuurdersaansprakelijkheid. Beclamel-norm
De curator vordert, na vermindering van eis, primair - samengevat – hoofdelijke veroordeling van gedaagden tot betaling van het nader vast te stellen tekort in het faillissement op grond van artikel 2:248 lid 1 BW en artikel 2:11 BW. Subsidiair vordert de curator hoofdelijke v
Vervolg op LJN:BP6582. Bestuurdersaansprakelijkheid. Geen tegenbewijs geleverd van het vermoeden dat de al eerder vastgestelde onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. Vorderingen toegewezen.
Voortzetting van LJB BU4062. Bestuurdersaansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, Beklamelnorm, toepassing art. 2:11 BW
Bestuurdersaansprakelijkheid. Beklamel-norm. Benadeling van een schuldeiser van een vennootschap door het onbetaald en onverhaalbaar blijven van diens vordering uit hoofde van een koopovereenkomst.