Uithuisplaatsing: De door de moeder verzochte benoeming van een deskundige kan niet mede tot beslissing van de zaak leiden.
Burgerlijk Wetboek
Art. 1:261 BW
Genoemd in 483 uitspraken · Officiële wettekst
483 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 16 · live
Uithuisplaatsing acht kinderen; noodzaak vanwege onderzoek dat moet worden verricht.
Is er plaats voor een vrijwillige uithuisplaatsing in het kader van een ondertoezichtstelling? De door BJZ aangevoerde argumenten om die vraag bevestigend te beantwoorden zijn naar het oordeel van het hof niet voldoende.
Rechtens relevant belang bij hoger beroep
Machtiging tot uithuisplaatsing in een residentiële (open) voorziening mag niet gebruikt worden voor een besloten plaatsing, die feitelijk neerkomt op een gesloten plaatsing.
Verzoek opheffing/ beëindiging UHP
Uithuisplaatsing van drie minderjarigen, artikel 1:261 BW en termijn van hoger beroep voor in eerste aanleg niet verschenen belanghebbende, artikel 806 lid 1 sub b Rv; vertrek van de moeder naar Egypte; toetsing aan artikel 8 EVRM en het IVRK.
Uithuisplaaatsing beëindigd. Artikel 43 Uitvoeringsbesluit van de wet op de Jeugdzorg.
Is de rechter bevoegd af te wijken van door het bureau jeugdzorg geïndiceerde en verzochte vorm van uithuisplaating? Art. 1:261 lid 1 BW, art. 3 IVRK, art. 6 en 8 EVRM.
Uithuisplaatsing; "schuldvraag" niet relevant. Geen strijd met artikel 8 EVRM.
Familierecht. Ondertoezichtstelling minderjarige. Machtiging tot plaatsing in pleeggezin. Verzoek moeder tot intrekking van de aanwijzing als bedoeld in art. 1:263a lid 1 BW inhoudend een bezoekregeling tussen ouder en uit huis geplaatste minderjarige en tot vaststelling van een
Uithuisplaatsing: nu de kinderen weer bij de moeder zijn en er geen noodzaak tot uhp (meer) bestaat, dient de machtiging te worden opgeheven. De noodzaak tot verder onderzoek rechtvaardigt niet de instandlating daarvan.
Geen verzet tegen OTS en UHP. Toch gedwongen ontheffing van moeder. Verzoek vader om met het gezag te worden belast wordt afgewezen.
Gedwongen ontheffing. Ouders zijn het eens met plaatsing in een residentiele instelling, maar verzetten zich tegen ontheffing, o.m omdat daartoe geen grond zou bestaan, nu het kind door de opname in voormelde instelling geen hechtingsrelatie met pleegouders heeft.
Uithuisplaatsing minderjarige bij ouder met gezag.
Ontheffing van ouderlijk gezag; feitelijke omstandigheden getoetst aan wettelijke gronden
Uithuisplaatsing. Verzoek tot vaststellen van ruimere omgangsregeling voor het eerst in appel gedaan en derhalve niet-ontvankelijk.
De gronden voor ontheffing doen zich voor. De ouders hebben nagelaten meer inzicht in hun eigen situatie en in de situatie rond de minderjarige te geven en hebben hun medewerking geweigerd aan de uitvoering van diverse maatregelen die duidelijkheid konden verschaffen.
Uithuisplaatsing; verwaarlozing; voorgeschiedenis twee andere kinderen; twijfels pedagogische vaardigheden; volwassenproblematiek; hechtingsproces.
Beëindiging uithuisplaatsing: afweging nadelen thuis- / uithuisplaatsing
Familierecht. Gedwongen ontheffing van het gezag over minderjarig kind op de voet van art. 1:268 lid 2 onder a BW juncto 1:254 BW. (81 RO).
Ontheffing. Tav vader toegewezen. Tav moeder afgewezen, nog perspectief op (terug-)plaatsing bij haar.
Het ter zitting door de raad aan het hof gedane verzoek om ambtshalve de ondertoezichtstelling uit te spreken, in het geval het hof de beschikking van de rechtbank waarbij de ouders van het gezag worden ontheven, niet bekrachtigt, begrijpt het hof als een verzoek van de raad de o
Uithuisplaatsing en indicatiebesluit krachtens artikel 1:261 lid 2 BW, in relatie tot artikel 5, lid 2 sub c van de Wet op de Jeugdzorg. Laatstgenoemde bepaling is nog niet in werking getreden. Derhalve geldt krachtens artikel 1: 261 lid 2 BW slechts de eis dat bij het verzoek ge
Appel Uithuisplaatsing; Belang vader bij appel nu vader geen gezag heeft.