Verdachte heeft gedurende een lange periode een substantieel vermogen alsmede de daarover uitgekeerde rente en dividend niet aan de Belastingdienst opgegeven. Zij heeft hierdoor de Belastingdienst en daarmee de maatschappij ernstig financieel benadeeld.
Gelet op het bepaalde in art. 53 lid 1 Wet op de accijns jo art. 8 lid 1 en art. 10 lid 1 AWR ontstaat de verplichting tot het doen van aangifte niet als gevolg van een uit de heffingswet voortvloeiende belastingschuld, maar door de uitreiking ex art. 6 lid 1 AWR van een aangifte