Art. 3:2 Awb; art. 7:15, lid 2, Awb; art. 13, lid 1, AWR; art. 23 Uitv.reg. AWR 1994. Kostenvergoeding in bezwaarfase. Onrechtmatigheid aan de inspecteur te wijten indien hij bij het vaststellen van een voorlopige aanslag niet de vereiste zorgvuldigheid betracht en als gevolg daa
Algemene wet inzake rijksbelastingen
Art. 13 AWR
Genoemd in 47 uitspraken · Officiële wettekst
47 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 2 · live
Inspecteur had nadere voorlopige aanslag moeten opleggen in plaats van ambtshalve vermindering
Inkomstenbelasting. De Inspecteur mocht de tweede voorlopige aanslag opleggen. De tweede aangifte is geen vrijwillige verbetering in de zin van artikel 67n AWR. De tweede voorlopige aanslag is geen navorderingsaanslag in de zin van artikel 16 AWR. Uit de tekst van artikel 13, lid
Heffingsrente bij ambtshalve vermindering in plaats van negatieve aanslag
Vergoeding heffingsrente bij ambtshalve vermindering
Aan belanghebbende is een voorlopige aanslag vpb opgelegd met een te betalen bedrag van € 147.950,-; naar aanleiding van de ingediende aangifte is de voorlopige aanslag ambtshalve verminderd tot een bedrag van € 50024,-. Er is bij de teruggaaf een bedrag van € 3546,- aan invorder
In deze zaak heeft de inspecteur een aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag ambtshalve vernietigd, waarbij geen heffingsrente is vergoed. Het hof overweegt dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door in dit geval geen nadere voorlopig
In deze zaak heeft de inspecteur een aan belanghebbende opgelegde voorlopige aanslag ambtshalve vernietigd, waarbij geen heffingsrente is vergoed. Het hof overweegt dat de inspecteur in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld door in dit geval geen nadere voorlopig
Formeel belastingrecht. AWB en AWR. Heffingsrente. Inspecteur legt op 1 januari 2006 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over dat jaar op. De aanslag wordt geacht op 1 juli 2006 volledig te zijn betaald. Naar aanleiding van de ingediende aangifte vermindert de inspecteu
Belang bij een beroep tegen een voorlopige aanslag, indien de definitieve aanslag reeds onherroepelijk vaststaat
Artikel 11, lid 3, AWR. Aanslagtermijn is van overeenkomstige toepassing.Trefwoorden: Artikel 15 AWR. Verrekening voorlopige aanslag. Conversie aanslag opgelegd aan niet belastingplichtige in beschikking ex artikel 15 AWR.
Aan belanghebbende zijn twee voorlopige aanslagen opgelegd welke zijn verminderd middels ambtshalve verminderingen. De rechtbank is van oordeel dat de inspecteur een nadere negatieve voorlopige aanslag had moeten opleggen, zodat belanghebbende geen heffingsrentenadeel lijdt en ni
De beslissing op het verzoek om een voorlopige teruggaaf inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen is geen voor bezwaar vatbare beschikking, zodat, vanwege het gesloten stelsel van rechtsmiddelen, geen bezwaar mogelijk is.
Proceskostenvergoeding met betrekking tot bezwaar tegen voorlopige aanslag. Ten onrechte loonheffing meegenomen bij vaststellen voorlopige aanslag. Bij het vaststellen van de voorlopige aanslag heeft verweerder de hem toekomende marge niet overschreden. Daarom geen sprake van onr
Geen sprake van bijzondere omstandigheden die de vrijval van de HIR ultimo 2006 voorkomen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij vervangende investeringen heeft gepleegd. Geen voorziening voor aansprakelijkstelling directeur in privé of kosten voor te voeren procedures.
Belanghebbende, een BV, heeft in januari 2006 een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting over 2006 ontvangen en deze betaald in 11 gelijke termijnen. Na indiening van de aangifte vennootschapsbelasting bleek de voorlopige aanslag te hoog te zijn. De inspecteur heeft in 2007 de
Voorlopige aanslag. Heffingsrente. Kosten bewegingslessen fibromyalgie patiënte slechts aftrekbaar indien activiteiten plaatsvinden op voorschrif t van een arts en onder rechtstreeks toezicht of begeleiding staan van een medicus.
Belanghebbende is van mening dat bij de berekening van het verschuldigde bedrag bij de voorlopige aanslagen H.22 en H.23 de opgelegde voorlopige aanslagen H.20 en H.21 moeten worden verrekend zonder rekening te houden met de ambtshalve verminderingen zoals vermeld onder 2.4.
Formeel recht Voor het opleggen van een nadere voorlopige aanslag is geen verzoek van de belastingplichtige vereist.
Verrekening van voorlopige aanslagen. Eiser komt op tegen de naar zijn mening onjuiste verrekening van een tweetal eerdere voorlopige aanslagen bij het vaststellen van een tweetal nadere voorlopige aanslagen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder eiser terecht ontvan
Voorlopige teruggaaf, inhouding loonbelasting naar anoniementarief.
Bij het opleggen van de in geschil zijnde voorlopige aanslag heeft de inspecteur niet gehandeld met inachtneming van de daarbij in acht te nemen redelijkheid. Belanghebbende heeft recht op vergoeding van de bezwaarfase en op de kosten van het beroep.