Bij afzonderlijke besluiten van 22 november 2018 heeft het college zowel [appellant A] als [appellant B] onder oplegging van een dwangsom gelast om de gestelde strijdigheden met artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht en arti
Algemene wet bestuursrecht
Art. 5:35 Awb
Genoemd in 77 uitspraken · Officiële wettekst
77 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
Eiser is tijdig in verzet gekomen tegen het dwangbevel van 10 mei 2012. Met partijen is de rechtbank van oordeel dat, nu de last onder dwangsom is opgelegd wegens een overtreding die voor 1 juli 2009 haar aanvang heeft genomen, het recht van voor die datum van toepassing is. Dat
Dwangsommen. De bevoegdheid van de Staat tot inning van de door eiseres in het verzet verbeurde dwangsommen is niet verjaard. Het dwangbevel ontbeert geen deugdelijke grondslag. Begunstigingstermijn is onaantastbaar. Geen sprake van overmacht. Niet kan worden gezegd dat met invor
Voor zover in de toelichting op de grief betoogd wordt dat de brief van 23 maart 2007 ook stuitende werking ontbeert, volgt het hof Bizon niet in haar stellingen. Bizon heeft zelf om opschorting van de invorderingsmaatregelen verzocht. De gemeente heeft dit verzoek bij deze brief
Verzet tegen dwangbevel invordering bestuursrechtelijke dwangsom. - Materieel verweer tegen de bestuursrechtelijke beslissing waarvan dwangsom onbekend is, stuit af op de formele rechtskracht van de bestuursrechtelijke beslissingen ook al is daar tegen hoger beroep ingesteld. - V
Dexia-zaak
18 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/279HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiseres 4], wonende te [woonplaats], 5. [Eiser 5]
Naar het oordeel van het hof zijn de verjaringstermijnen vervolgens na drie maanden wederom geschorst door de appeldagvaarding van 23 april 2002. Deze appeldagvaarding moet immers worden aangemerkt als een voortzetting van het verzet als bedoeld in artikel 5:26 lid 4 Awb. Anders
Er zijn geen omstandigheden die meebrengen dat zich hier een bijzondere situatie voortdoet die de gemeente ertoe noopt af te zien van het vervolgen van de invordering. In het bijzonder kan de gestelde betalingsonmacht van De Kleijn niet daartoe leiden. Betalingsonmacht is immers
Het gaat in de onderhavige zaak om de vraag of de gemeente zich terecht op het standpunt stelt dat [appellant] dwangsommen heeft verbeurd tot een bedrag van f 7.400. De juistheid en rechtmatigheid van de last onder dwangsom als zodanig staan niet ter beoordeling, nu het daartegen