Betreft de invordering van verbeurde dwangsommen. Partijen hebben een betalingsregeling afgesproken. Elke betaling moet worden aangemerkt als een erkenning van de rechtsvordering als bedoeld in art. 3: 318 BW. Derhalve is de vordering niet verjaard.
Algemene wet bestuursrecht
Art. 5:26 Awb
Genoemd in 114 uitspraken · Officiële wettekst
114 uitspraken, gesorteerd op gezag pagina 1 · live
18 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/279HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiseres 4], wonende te [woonplaats], 5. [Eiser 5]
Verjaring invorderingsbevoegdheid mogelijk verbeurde dwangsommen, uitleg last onder dwangsom, overtreding last onder dwangsom en misbruik bevoegdheid tot invordering bestuurlijke dwangsommen
Incident. Verzoek tot opheffing van de schorsing van de tenuitvoerlegging van een dwangbevel ex artikel 5:26 Awb (oud). Afweging belangen; handhaving vs rechtsbescherming.
De vraag of de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van dwangsommen is verjaard o.g.v. art. 5:35 lid 1 Alg. wet bestuursrecht (Awb) kan in het midden blijven, nu partijen inmiddels een regeling hebben getroffen m.b.t. de betaling van de verbeurde dwangsomen. Op deze overee
Incident tot opheffing schorsende werking van verzet tegen dwangbevel. Rechtbank heft op grond van art. 5:26 lid 4 Awb (oud) de schorsende werking van het verzet op.
Executie geschil m.b.t. dwangbevelen. Aan de orde komen omvang van de schorsende werking van een tegen de dwangbevelen ingesteld verzet en meer in het algemeen de schorsende werking van het hoger beroep. Misbruik van procesrecht.
Opheffing beslag op onroerende zaak. Vordering afgewezen.
Last onder dwangsom. Verzet procedure tegen dwangbevel. Gemeente verzoekt op basis van 5:26 AWB (oud) de schorsende werking voor het beroep op te heffen. Hof oordeelt dat van misbruik van recht onvoldoende is gebleken. Kans van slagen van rechtsmiddel moet buiten beschouwing blij
Incident ex artikel 223 Rv in een verzetprocedure van Pretium Telecom tegen dwangbevelen van de Consumentenautoriteit. Incidentele vordering van de Staat strekt tot opheffing van de schorsende werking van dit verzet. Belangenafweging leidt tot afwijzing van de vordering.
Verzet tegen dwangbevel. Verzet tegen last onder dwangsom opgelegd bij ten dele, maar niet voor zover het betreft deze last, door Afdeling bestuursrechtspraak van de RvS vernietigde besluiten, ongegrond.
Opheffing schorsende werking van het verzet tegen dwangbevel ex artikel 5:26 lid 4 AWB wegens kansloos zijn van de verzetprocedure.
Procesrecht. Verzet tegen door een gemeente uitgevaardigd dwangbevel tot invordering van verbeurde dwangsommen; passeren van essentiële stellingen? (81 RO).
Procesrecht. Verzet tegen dwangbevel tot invordering bestuurlijke dwangsommen; verjaring ex art. 5:35 Awb, stuiting?; stuitingshandeling, maatstaf; HR doet zelf de zaak af.
Wat betreft de vraag of het beslag op grond van een afweging van de wederzijdse belangen voor opheffing in aanmerking komt overweegt het hof als volgt. Het hof onderschrijft hetgeen de voorzieningenrechter ter motivering van zijn beslissing heeft overwogen en neemt die motivering
In kort geding heeft eiser voldoende aannemelijk gemaakt dat de invorderingsbevoegdheid van verbeurde dwangsommen door de gemeente is verjaard. Het instellen van verzet of hoger beroep heeft slechts schorsende werking, het bewerkstelligt geen verlenging van de verjaringstermijn.
De aan appellante opgelegde last onder dwangsom strekt tot het beëindigen van een overtreding. In een dergelijk geval verbeurt de overtreder vanaf het moment dat de in de last onder dwangsom op te nemen begunstigingstermijn als bedoeld in artikel 5:32 Awb is verstreken, van recht
Een dwangbevel is geen vonnis zodat de in art. 230 Rv voor een vonnis geschreven vereisten niet gelden voor een dwangbevel. Dat een vonnis en een dwangbevel beide voor tenuitvoerlegging vatbaar zijn, maakt dat niet anders. Op zichzelf is juist dat tegen [appellant] nog twee ander
Incidentele vordering van de gemeente om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de tegen opposanten uitgevaardigde dwangbevelen als gevolg van het verzet op grond van artikel 5:26 lid 4 Awb op te heffen. Het komt bij de beoordeling aan op een belangenafweging.
Opheffing schorsende werking tenuitvoerlegging bij verzet tegen dwangbevel (art. 5:26 AWB)
18 februari 2005 Eerste Kamer Nr. C03/279HR JMH Hoge Raad der Nederlanden Arrest in de zaak van: 1. [Eiseres 1], gevestigd te [vestigingsplaats], 2. [Eiser 2], wonende te [woonplaats], 3. [Eiseres 3], wonende te [woonplaats], 4. [Eiseres 4], wonende te [woonplaats], 5. [Eiser 5]
Naar het oordeel van het hof zijn de verjaringstermijnen vervolgens na drie maanden wederom geschorst door de appeldagvaarding van 23 april 2002. Deze appeldagvaarding moet immers worden aangemerkt als een voortzetting van het verzet als bedoeld in artikel 5:26 lid 4 Awb. Anders
Er zijn geen omstandigheden die meebrengen dat zich hier een bijzondere situatie voortdoet die de gemeente ertoe noopt af te zien van het vervolgen van de invordering. In het bijzonder kan de gestelde betalingsonmacht van De Kleijn niet daartoe leiden. Betalingsonmacht is immers
-