Raad van State
ECLI:NL:RVS:2026:5720
Inhoudsindicatie
Deze uitspraak heeft betrekking op dertien hogerberoepszaken waarin [appellant] appellant is. Het gaat om uitspraken van de rechtbank Rotterdam in geschillen met verschillende bestuursorganen over diverse onderwerpen. Voor het verdere procesverloop in de zaken wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken. Op 29 januari 2026 heeft de Afdeling een brief ontvangen waarin staat vermeld dat voor [appellant] hoger beroep wordt ingesteld tegen de genoemde rechtbankuitspraken. De brief sluit af met "De gemachtigde". Een naam en handtekening ontbreken. De Afdeling heeft in een brief van 30 januari 2026 gevraagd de naam van de indiener bekend te maken, onder verwijzing naar het vonnis in kort geding van 4 september 2025, zaak nr. C/01/414141/KG ZA 25-151 (ECLI:NL:RBOBR:2025:5569).
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBOBR:2025:5569 Rechtbank Oost-Brabant 04-09-2025
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (5.005 tekens)
Datum uitspraak: 17 juni 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak na vereenvoudigde behandeling (artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) op de hoger beroepen van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 17 december 2025 in zaken nrs. 24/9041V en 24/8312V, 24/7034V en 24/7036V, 24/5523V, 24/2913V, 24/3838V, 24/3839V, 24/4779V, 24/5415V, 24/5665V, 24/7032V, 24/7047V en 24/8199V, 24/472, van 18 december 2025 in zaken nrs. 24/7798V en 24/8856V, 24/6479V, 24/6480V, 24/6481V, 24/6482V, 24/8465V, 24/8466V, 24/8467V, 24/8468V, 24/8469V, 24/9004V, 24/9042V, 24/9042V, 24/9043V, 24/9044V, 24/10229V, 24/10230V, 24/10231V, 24/10232V, 24/10233V, 24/10234V en 24/10235V, 23/6847V, 24/7548V, 24/8750V en 24/9332V, 24/8131V, 24/8858V en 24/9009, van 7 januari 2026 in zaak nr. 24/8227 en van 16 januari 2026 in zaak nr. 24/8854V in de gedingen tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, het Zilveren Kruis Zorgkantoor NV, Stichting Zorgkantoor Menzis, het Drechtstedenbestuur, de Commissie Werkelijke Schade, de minister van Justitie en Veiligheid, het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijkrelaties (Rijksdienst voor Identiteitsgegevens) en Universitair Medisch Centrum Utrecht.
Procesverloop
Deze uitspraak heeft betrekking op dertien hogerberoepszaken waarin [appellant] appellant is. Het gaat om uitspraken van de rechtbank Rotterdam in geschillen met verschillende bestuursorganen over diverse onderwerpen. Voor het verdere procesverloop in de zaken wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken.
Overwegingen
1. De bepalingen van de Awb die voor deze zaak relevant zijn, luiden:
Artikel 6:5, eerste lid:
"Het bezwaar- of beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:
a. de naam en het adres van de indiener; […]"
Artikel 6:6, eerste lid:
"Het bezwaar of beroep kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:
a. niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep […]
mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn. […]"
2. Op 29 januari 2026 heeft de Afdeling een brief ontvangen waarin staat vermeld dat voor [appellant] hoger beroep wordt ingesteld tegen de genoemde rechtbankuitspraken. De brief sluit af met "De gemachtigde". Een naam en handtekening ontbreken. De Afdeling heeft in een brief van 30 januari 2026 gevraagd de naam van de indiener bekend te maken, onder verwijzing naar het vonnis in kort geding van 4 september 2025, zaak nr. C/01/414141/KG ZA 25-151 (ECLI:NL:RBOBR:2025:5569). Bij brief van 6 februari 2026 heeft mr. S. van Buuren zich gesteld als advocaat van [appellant]. Mr. Van Buuren heeft in deze brief ook te kennen gegeven dat zij niet degene is geweest die de hoger beroepen heeft ingesteld namens [appellant]. Hierop heeft de Afdeling mr. Van Buuren bij brief van 11 februari 2026 in de gelegenheid gesteld kenbaar te maken wie de hoger beroepen heeft ingesteld en of dat namens [appellant] is gedaan. Mr. Van Buuren heeft de Afdeling in reactie bij brief van 18 februari 2026 te kennen gegeven dat haar niet bekend is wie de hoger beroepen heeft ingesteld en dat [appellant] stelt dat hij de hogerberoepschriften tijdig en rechtsgeldig heeft laten indienen.
3. Omdat onduidelijk is wie de hoger beroepen heeft ingesteld, ook nadat twee keer de gelegenheid is geboden hierover opheldering te verschaffen, zal de Afdeling de hoger beroepen in de zaken met de op het voorblad vermelde nummers niet-ontvankelijk verklaren.
4. De proceskosten hoeven niet te worden vergoed.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W. Dijkshoorn, griffier.
w.g. Willems
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Dijkshoorn
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 17 juni 2026
Uitgesproken in het openbaar op
Tegen deze uitspraak kan verzet worden gedaan bij de Afdeling (artikel 8:55 van de Awb).
- Verzet moet schriftelijk en binnen zes weken na verzending van deze uitspraak worden gedaan.
- In het verzetschrift moeten de redenen worden vermeld waarom de indiener het niet eens is met wat er in deze uitspraak staat.
- Als de indiener over het verzet door de Afdeling wil worden gehoord, moet dit in het verzetschrift worden gevraagd. De zitting gaat dan alleen over de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak waartegen uw verzet is gericht.