Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:4285
2025-09-04
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202503927/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2025:2935 Raad van State 01-07-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:3171 Raad van State 09-07-2025
Geciteerd door (41)
- ECLI:NL:RVS:2026:297 Raad van State 19-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:296 Raad van State 19-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:298 Raad van State 19-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:300 Raad van State 19-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:286 Raad van State 19-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:26010 Rechtbank Den Haag 12-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5893 Raad van State 08-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5895 Raad van State 08-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5896 Raad van State 08-12-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5396 Raad van State 12-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5269 Raad van State 06-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5270 Raad van State 06-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5271 Raad van State 06-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5273 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5302 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5300 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5301 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5304 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5305 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:5303 Raad van State 05-11-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4767 Raad van State 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4758 Raad van State 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4763 Raad van State 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4766 Raad van State 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4764 Raad van State 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4757 Raad van State 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4756 Raad van State 06-10-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4483 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4486 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4485 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4489 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4484 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4488 Raad van State 24-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4467 Raad van State 19-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4469 Raad van State 19-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4465 Raad van State 19-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4468 Raad van State 19-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4466 Raad van State 19-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4464 Raad van State 19-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4356 Raad van State 11-09-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:4355 Raad van State 11-09-2025
Volledige tekst
Volledige tekst (3.180 tekens)
202503927/1/V3.
Datum uitspraak: 4 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 juni 2025 in zaak nr. NL24.16721 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B. Aydin, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij aanvragen van Turkse onderdanen die in Nederland arbeid als zelfstandige willen verrichten, een aanscherping is in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, maar dat deze aanscherping kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, geschikt en evenredig is, en daarom is toegestaan. Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935, onder 10, en van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3171, onder 8. Het betoog van appellant dat hij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste wegens de problemen en verliezen die gaan ontstaan voor zijn bedrijf en/of zijn werkzaamheden als hij zijn arbeid als zelfstandige in Nederland moet stopzetten, faalt. Appellant heeft geen verblijfsrecht dat hem toestaat arbeid in Nederland te verrichten, waardoor zijn arbeid als zelfstandige illegaal is. Het voorkomen van illegale arbeid is juist een van de dwingende redenen van algemeen belang waarom de minister het mvv-vereiste weer is gaan toepassen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 7.4.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2025
1058
Datum uitspraak: 4 september 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 12 juni 2025 in zaak nr. NL24.16721 in het geding tussen:
appellant
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 26 mei 2023 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 maart 2024 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. B. Aydin, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij aanvragen van Turkse onderdanen die in Nederland arbeid als zelfstandige willen verrichten, een aanscherping is in de zin van artikel 41, eerste lid, van het Aanvullend Protocol bij de Associatieovereenkomst EEG-Turkije, maar dat deze aanscherping kan worden gerechtvaardigd door dwingende redenen van algemeen belang, geschikt en evenredig is, en daarom is toegestaan. Zie de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935, onder 10, en van 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3171, onder 8. Het betoog van appellant dat hij moet worden vrijgesteld van het mvv-vereiste wegens de problemen en verliezen die gaan ontstaan voor zijn bedrijf en/of zijn werkzaamheden als hij zijn arbeid als zelfstandige in Nederland moet stopzetten, faalt. Appellant heeft geen verblijfsrecht dat hem toestaat arbeid in Nederland te verrichten, waardoor zijn arbeid als zelfstandige illegaal is. Het voorkomen van illegale arbeid is juist een van de dwingende redenen van algemeen belang waarom de minister het mvv-vereiste weer is gaan toepassen. Zie de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2025, onder 7.4.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. den Heyer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.H.M. Boom, griffier.
w.g. Den Heyer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Boom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2025
1058