Raad van State
ECLI:NL:RVS:2025:382
2025-01-27
Bestuursrecht
202407349/1/A2.
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Het beroep richt zich tegen de beslissing van het college van beroep voor de examens van De Haagse Hogeschool van 24 oktober 2024, waarbij het administratief beroep tegen de beslissing van 4 juli 2024 van de examencommissie, waarin het verzoek van [appellante] om een extra kans voor het vak PO4 van de bacheloropleiding Human Resources Management is afgewezen, niet-ontvankelijk is verklaard.
Citeert (4)
- ECLI:NL:CBB:2024:31 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:32 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:33 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
- ECLI:NL:CBB:2024:34 College van Beroep voor het bedrijfsleven 30-01-2024
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (3.507 tekens)
202407349/1/A2.
Datum uitspraak: 27 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van De Haagse Hogeschool (hierna: het CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 27 januari 2025 om 13:15 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. M. Rijsdijk
jurist: mr. D.T.J. van de Voort
Verschenen:
[appellante];
het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.H. Hehemann;
de examencommissie van de Faculteit Management & Organisatie, vertegenwoordigd door D.L. Feil en L. Couto Gestal.
====================================
Het beroep richt zich tegen de beslissing van het CBE van 24 oktober 2024, waarbij het administratief beroep tegen de beslissing van 4 juli 2024 van de examencommissie, waarin het verzoek van [appellante] om een extra kans voor het vak PO4 van de bacheloropleiding Human Resources Management is afgewezen, niet-ontvankelijk is verklaard.
Beslissing
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Motivering:
Het CBE heeft terecht gesteld dat de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift liep tot en met 16 augustus 2024 en dat het op 17 augustus 2024 ingediende administratief beroepschrift dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn van zes weken is ingediend. Vanwege de te late indiening van het administratief beroepschrift moet het administratief beroep in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vier uitspraken gedaan over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34). De Afdeling moet in dit verband bezien of zich bijzondere omstandigheden voordeden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan haar kan worden toegerekend.
Het CBE heeft terecht het standpunt ingenomen dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden tijdens de administratief beroepsprocedure, namelijk een (heftige) coronabesmetting en de nasleep daarvan, er niet toe leiden dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift verschoonbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het indienen van een (pro forma) administratief beroepschrift laagdrempelig is en dat [appellante] ook op de hoogte was van de mogelijkheid om het administratief beroepschrift pro forma in te dienen. Verder heeft [appellante] zich bij het opstellen van het (pro forma) administratief beroepschrift lopende de administratief beroepstermijn ook praktisch laten ondersteunen door haar broer, maar is het hen samen niet gelukt om het administratief beroepschrift voor het einde van de termijn in te dienen. De Afdeling ziet niet waarom het hen een dag na afloop van de termijn plots wel is gelukt om tot het gewenste resultaat te komen, namelijk indiening van een administratief beroep. De Afdeling volgt daarom niet het betoog dat het voor [appellante] niet mogelijk was om tijdig administratief beroep in te stellen. Het betoog slaagt niet.
Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
Griffier
705-1062
Datum uitspraak: 27 januari 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht; hierna: Awb) in het geding tussen:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
en
het college van beroep voor de examens van De Haagse Hogeschool (hierna: het CBE),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 27 januari 2025 om 13:15 uur.
Tegenwoordig:
staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. M. Rijsdijk
jurist: mr. D.T.J. van de Voort
Verschenen:
[appellante];
het CBE, vertegenwoordigd door mr. M.H. Hehemann;
de examencommissie van de Faculteit Management & Organisatie, vertegenwoordigd door D.L. Feil en L. Couto Gestal.
====================================
Het beroep richt zich tegen de beslissing van het CBE van 24 oktober 2024, waarbij het administratief beroep tegen de beslissing van 4 juli 2024 van de examencommissie, waarin het verzoek van [appellante] om een extra kans voor het vak PO4 van de bacheloropleiding Human Resources Management is afgewezen, niet-ontvankelijk is verklaard.
Beslissing
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Motivering:
Het CBE heeft terecht gesteld dat de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift liep tot en met 16 augustus 2024 en dat het op 17 augustus 2024 ingediende administratief beroepschrift dus buiten de in artikel 6:7 van de Awb voorgeschreven termijn van zes weken is ingediend. Vanwege de te late indiening van het administratief beroepschrift moet het administratief beroep in beginsel niet-ontvankelijk worden verklaard.
Op 30 januari 2024 heeft de grote kamer van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vier uitspraken gedaan over de verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding (ECLI:NL:CBB:2024:31, ECLI:NL:CBB:2024:32, ECLI:NL:CBB:2024:33 en ECLI:NL:CBB:2024:34). De Afdeling moet in dit verband bezien of zich bijzondere omstandigheden voordeden die maken dat de termijnoverschrijding niet aan haar kan worden toegerekend.
Het CBE heeft terecht het standpunt ingenomen dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden tijdens de administratief beroepsprocedure, namelijk een (heftige) coronabesmetting en de nasleep daarvan, er niet toe leiden dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van het administratief beroepschrift verschoonbaar is. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het indienen van een (pro forma) administratief beroepschrift laagdrempelig is en dat [appellante] ook op de hoogte was van de mogelijkheid om het administratief beroepschrift pro forma in te dienen. Verder heeft [appellante] zich bij het opstellen van het (pro forma) administratief beroepschrift lopende de administratief beroepstermijn ook praktisch laten ondersteunen door haar broer, maar is het hen samen niet gelukt om het administratief beroepschrift voor het einde van de termijn in te dienen. De Afdeling ziet niet waarom het hen een dag na afloop van de termijn plots wel is gelukt om tot het gewenste resultaat te komen, namelijk indiening van een administratief beroep. De Afdeling volgt daarom niet het betoog dat het voor [appellante] niet mogelijk was om tijdig administratief beroep in te stellen. Het betoog slaagt niet.
Het CBE hoeft geen proceskosten te vergoeden.
w.g. Minderhoud
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Rijsdijk
Griffier
705-1062