Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:3839
2022-12-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202206849/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluiten van 17 oktober 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2021:244 Raad van State 09-02-2021
Geciteerd door (6)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:5486 Rechtbank Den Haag 12-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:997 Rechtbank Den Haag 30-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18830 Rechtbank Den Haag 05-12-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12949 Rechtbank Den Haag 30-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12274 Rechtbank Den Haag 04-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2878 Rechtbank Den Haag 24-01-2023
Volledige tekst
Volledige tekst (2.354 tekens)
202206849/1/V3.
Datum uitspraak: 20 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
appellanten,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 november 2022 in zaak nr. NL22.21065 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 17 oktober 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 22 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat van de vreemdelingen mag worden verwacht dat zij eerst de hulp van de (hogere) Cypriotische autoriteiten inroepen. De vreemdelingen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij dat hebben gedaan, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Cypriotische autoriteiten de vreemdelingen niet willen of kunnen beschermen. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 9 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:244.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schippers
griffier
873
Datum uitspraak: 20 december 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2], mede voor hun minderjarige kind,
appellanten,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 22 november 2022 in zaak nr. NL22.21065 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 17 oktober 2022 heeft de staatssecretaris aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 22 november 2022 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. E.W.B. van Twist, advocaat te Dordrecht, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank heeft namelijk terecht overwogen dat van de vreemdelingen mag worden verwacht dat zij eerst de hulp van de (hogere) Cypriotische autoriteiten inroepen. De vreemdelingen hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij dat hebben gedaan, zodat niet kan worden geconcludeerd dat de Cypriotische autoriteiten de vreemdelingen niet willen of kunnen beschermen. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 9 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:244.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. Meijer, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Meijer
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schippers
griffier
873