Raad van State
ECLI:NL:RVS:2022:2719
2022-09-21
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202105949/1/V2.
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 14 januari 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vastgesteld dat hij aan de vreemdelingen gezamenlijk een dwangsom verschuldigd is van € 1.442,00.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2020:1624 Raad van State 15-07-2020
Geciteerd door (12)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19243 Rechtbank Den Haag 10-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:19243 Rechtbank Den Haag 10-07-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9827 Rechtbank Den Haag 28-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2500 Rechtbank Den Haag 21-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:12616 Rechtbank Den Haag 13-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22633 Rechtbank Den Haag 24-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:22725 Rechtbank Den Haag 20-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21684 Rechtbank Den Haag 09-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:19552 Rechtbank Den Haag 21-11-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10899 Rechtbank Den Haag 05-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7110 Rechtbank Den Haag 29-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6918 Rechtbank Den Haag 06-03-2024
Volledige tekst
Volledige tekst (2.600 tekens)
202105949/1/V2.
Datum uitspraak: 21 september 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 18 augustus 2021 in zaak nr. NL21.2112 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2021 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat hij aan de vreemdelingen gezamenlijk een dwangsom verschuldigd is van € 1.442,00.
Bij uitspraak van 18 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A. Šimičević, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank wijst namelijk terecht op de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, waaruit volgt dat aanvragen zodanig inhoudelijk met elkaar kunnen samenhangen, dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb, met zich brengt dat het bestuursorgaan één dwangsom kan verbeuren. In dit geval is doorslaggevend dat de vreemdelingen broers zijn die samen Nederland zijn ingereisd, gelijktijdig asielaanvragen hebben ingediend en dezelfde asielmotieven aan die aanvragen ten grondslag hebben gelegd. De rechtbank overweegt daarom terecht dat de asielaanvragen van de vreemdelingen zodanig met elkaar samenhangen, dat de staatssecretaris een gezamenlijke dwangsom kon verbeuren.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
915
Datum uitspraak: 21 september 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[vreemdeling 1] en [vreemdeling 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 'sHertogenbosch, van 18 augustus 2021 in zaak nr. NL21.2112 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 14 januari 2021 heeft de staatssecretaris vastgesteld dat hij aan de vreemdelingen gezamenlijk een dwangsom verschuldigd is van € 1.442,00.
Bij uitspraak van 18 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen, vertegenwoordigd door mr. A. Šimičević, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1. De rechtbank wijst namelijk terecht op de uitspraak van de Afdeling van 15 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1624, waaruit volgt dat aanvragen zodanig inhoudelijk met elkaar kunnen samenhangen, dat een redelijke toepassing van de artikelen 4:17, eerste lid, en 8:55d, tweede lid, van de Awb, met zich brengt dat het bestuursorgaan één dwangsom kan verbeuren. In dit geval is doorslaggevend dat de vreemdelingen broers zijn die samen Nederland zijn ingereisd, gelijktijdig asielaanvragen hebben ingediend en dezelfde asielmotieven aan die aanvragen ten grondslag hebben gelegd. De rechtbank overweegt daarom terecht dat de asielaanvragen van de vreemdelingen zodanig met elkaar samenhangen, dat de staatssecretaris een gezamenlijke dwangsom kon verbeuren.
2. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.L. Iedema, griffier.
w.g. Van Breda
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Iedema
griffier
915