Raad van State
ECLI:NL:RVS:2021:2090
2021-09-16
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202104443/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 10 mei 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RVS:2019:579 Raad van State 22-02-2019
Geciteerd door (35)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1232 Rechtbank Den Haag 19-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17077 Rechtbank Den Haag 12-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:15277 Rechtbank Den Haag 08-08-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:2693 Rechtbank Den Haag 20-02-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21454 Rechtbank Den Haag 18-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:9671 Rechtbank Den Haag 18-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8770 Rechtbank Den Haag 06-06-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:8358 Rechtbank Den Haag 30-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12979 Rechtbank Den Haag 11-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:3893 Rechtbank Den Haag 20-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6648 Rechtbank Den Haag 15-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:4137 Rechtbank Den Haag 12-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2872 Rechtbank Den Haag 05-03-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1525 Rechtbank Den Haag 12-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1527 Rechtbank Den Haag 12-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:22061 Rechtbank Den Haag 30-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18374 Rechtbank Den Haag 23-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20970 Rechtbank Den Haag 22-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:20935 Rechtbank Den Haag 22-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18036 Rechtbank Den Haag 17-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18042 Rechtbank Den Haag 16-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16540 Rechtbank Den Haag 03-11-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:3988 Raad van State 30-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16290 Rechtbank Den Haag 30-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:15741 Rechtbank Den Haag 13-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:12530 Rechtbank Den Haag 22-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:9504 Rechtbank Den Haag 03-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3793 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:3792 Rechtbank Den Haag 07-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:14431 Rechtbank Den Haag 08-07-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5094 Rechtbank Den Haag 27-05-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:5095 Rechtbank Den Haag 27-05-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:929 Raad van State 30-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11150 Rechtbank Den Haag 25-03-2022
- ECLI:NL:RVS:2022:584 Raad van State 23-02-2022
Volledige tekst
Volledige tekst (4.063 tekens)
202104443/1/V2.
Datum uitspraak: 16 september 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.7365 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 5 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de Algerijnse nationaliteit. Niet geschil is dat hij na het indienen van zijn asielaanvraag met onbekende bestemming is vertrokken. De staatssecretaris heeft daarom de aanvraag met toepassing van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 buiten behandeling gesteld. Ook heeft hij tegen de vreemdeling een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
2. De gemachtigde van de vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling ook geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep tegen het inreisverbod. Hij betoogt dat uit het enkele feit dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer met hem onderhoudt, niet volgt dat de vreemdeling zich kennelijk neerlegt bij de uitvaardiging van het inreisverbod. De vreemdeling heeft er immers belang bij de komende twee jaar naar en binnen de EU, EER en Zwitserland te kunnen reizen, zo betoogt hij.
2.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579). De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit ook geldt voor een bij een asielbesluit uitgevaardigd inreisverbod.
2.2. Zoals volgt uit voormelde uitspraak wordt van een vreemdeling verwacht dat hij zijn gemachtigde gedurende de gehele procedure op de hoogte houdt van zijn verblijfplaats en met hem steeds in contact blijft over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Niet in geschil is dat ten tijde van de procedure bij de rechtbank de gemachtigde geen contact meer had met de vreemdeling en ook niet wist waar de vreemdeling verbleef. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de vreemdeling kennelijk ook geen prijs meer stelt op een beoordeling van de rechtmatigheid van het aan de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag gekoppelde inreisverbod.
2.3. De grief faalt
3. De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Van Kesteren, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2021
363-987
Datum uitspraak: 16 september 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 5 juli 2021 in zaak nr. NL21.7365 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, buiten behandeling gesteld en een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 5 juli 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. A. Jhingoer, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De vreemdeling heeft de Algerijnse nationaliteit. Niet geschil is dat hij na het indienen van zijn asielaanvraag met onbekende bestemming is vertrokken. De staatssecretaris heeft daarom de aanvraag met toepassing van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000 buiten behandeling gesteld. Ook heeft hij tegen de vreemdeling een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd.
2. De gemachtigde van de vreemdeling klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling ook geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep tegen het inreisverbod. Hij betoogt dat uit het enkele feit dat de vreemdeling met onbekende bestemming is vertrokken en geen contact meer met hem onderhoudt, niet volgt dat de vreemdeling zich kennelijk neerlegt bij de uitvaardiging van het inreisverbod. De vreemdeling heeft er immers belang bij de komende twee jaar naar en binnen de EU, EER en Zwitserland te kunnen reizen, zo betoogt hij.
2.1. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat, indien een vreemdeling met onbekende bestemming vertrekt zonder contact te onderhouden met zijn gemachtigde, wordt geconcludeerd dat hij kennelijk geen prijs meer stelt op de door hem aanvankelijk gezochte bescherming in Nederland. In dat geval heeft de vreemdeling geen rechtens te beschermen belang meer bij een inhoudelijke beoordeling van het ingestelde beroep (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 22 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:579). De rechtbank heeft terecht overwogen dat dit ook geldt voor een bij een asielbesluit uitgevaardigd inreisverbod.
2.2. Zoals volgt uit voormelde uitspraak wordt van een vreemdeling verwacht dat hij zijn gemachtigde gedurende de gehele procedure op de hoogte houdt van zijn verblijfplaats en met hem steeds in contact blijft over de voortgang van de procedure en de keuzes die in dit kader moeten worden gemaakt. Niet in geschil is dat ten tijde van de procedure bij de rechtbank de gemachtigde geen contact meer had met de vreemdeling en ook niet wist waar de vreemdeling verbleef. Onder deze omstandigheden heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat de vreemdeling kennelijk ook geen prijs meer stelt op een beoordeling van de rechtmatigheid van het aan de buiten behandelingstelling van zijn asielaanvraag gekoppelde inreisverbod.
2.3. De grief faalt
3. De tweede grief heeft geen zelfstandige betekenis.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Van Kesteren, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Van Kesteren
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 september 2021
363-987