Raad van State
ECLI:NL:RVS:2020:2459
2020-10-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
202002287/1/V2
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 8 februari 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Citeert (4)
- ECLI:NL:RVS:2016:1022 Raad van State 06-04-2016
- ECLI:NL:RVS:2015:3652 Raad van State 18-11-2015
- ECLI:NL:RVS:2016:890 Raad van State 13-04-2016
- ECLI:NL:RVS:2020:897 Raad van State 30-03-2020
Geciteerd door (24)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:20182 Rechtbank Den Haag 15-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:18884 Rechtbank Den Haag 08-07-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:15881 Rechtbank Den Haag 12-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:14626 Rechtbank Den Haag 01-06-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10275 Rechtbank Den Haag 28-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:9143 Rechtbank Den Haag 14-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:4512 Rechtbank Den Haag 06-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:6675 Rechtbank Den Haag 04-03-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:5508 Rechtbank Den Haag 05-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2178 Rechtbank Den Haag 03-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:1065 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:839 Rechtbank Den Haag 20-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:25601 Rechtbank Den Haag 15-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:17711 Rechtbank Den Haag 12-09-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:6534 Rechtbank Den Haag 11-04-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:4282 Rechtbank Den Haag 18-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:12397 Rechtbank Den Haag 23-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7470 Rechtbank Den Haag 16-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18961 Rechtbank Den Haag 21-11-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:22231 Rechtbank Den Haag 19-09-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:10500 Rechtbank Den Haag 18-07-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:8258 Rechtbank Den Haag 20-04-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:10762 Rechtbank Den Haag 22-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2479 Rechtbank Den Haag 11-02-2021
Volledige tekst
Volledige tekst (6.421 tekens)
202002287/1/V2.
Datum uitspraak: 20 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 maart 2020 en haar uitspraak van 27 maart 2020, beide in zaak nr. NL20.3724 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 10 maart 2020 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een in die uitspraak geconstateerd gebrek in dat besluit te herstellen.
Bij brief van 18 maart 2020 heeft de staatssecretaris de rechtbank medegedeeld geen gebruik te maken van voormelde in de tussenuitspraak geboden gelegenheid.
Bij uitspraak van 27 maart 2020 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.G. Metselaar, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De vreemdeling komt uit Bangladesh. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging wegens zijn gestelde seksuele gerichtheid. Hij heeft bij binnenkomst in Nederland tegenover de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) echter andere verklaringen over de reden van zijn asielaanvraag afgelegd, namelijk dat hij politieke problemen heeft en dat er politieke aanklachten tegen hem lopen in Bangladesh. Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris deze informatie ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
Grief
2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte de verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd tegenover de KMar heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De staatssecretaris betoogt hiertoe allereerst dat die verklaringen uit eigen beweging zijn afgelegd en de vreemdeling voldoende in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren tijdens de gehoren, in de correcties en aanvullingen op de gehoren en in de zienswijze. De staatssecretaris klaagt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de omstandigheid dat de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstijd niet mag worden bevraagd, onverlet laat dat informatie die in die periode naar voren komt, kan worden betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. Tot slot betoogt hij dat de KMar weliswaar geen onderdeel uitmaakt van het bestuursorgaan dat beslist op de asielaanvraag, maar dat de KMar wel tot de Nederlandse autoriteiten behoort waartoe de vreemdeling zich heeft gewend voor internationale bescherming en dat het proces-verbaal van het gehoor op ambtseed is opgemaakt.
2.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat in de processen-verbaal van de KMar staat dat de vreemdeling uit eigen beweging heeft verklaard over de reden van zijn asielaanvraag. Zoals de staatssecretaris betoogt, maakt de enkele omstandigheid dat informatie is afgelegd voorafgaand aan of tijdens de rust- en voorbereidingstijd nog niet dat deze informatie niet mag worden betrokken (Stb 2010, 244, p. 17).
2.1.1. Dat de verklaring is afgelegd tegenover de KMar, die geen deel uitmaakt van het bestuursorgaan dat beslist op de asielaanvraag, maakt dit niet anders (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1022). De staatssecretaris moet immers een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten, waarbij hij alle door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen over de reden waarom hij in Nederland asiel wil in onderlinge samenhang en in het licht van de overige afgelegde verklaringen, overgelegde bewijsmiddelen en overige omstandigheden moet bezien (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3652, 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890 en 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:897).
2.1.2. Tot slot heeft de staatssecretaris terecht betoogd dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor is geconfronteerd met de tegenstrijdigheid in zijn verklaringen en in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Hierdoor is hij, in overeenstemming met artikel 3.113, tweede lid, van het Vb 2000, in de gelegenheid gesteld om de tegenstrijdigheid uit te kunnen leggen en heeft hij op die manier zo volledig mogelijk de voor zijn aanvraag noodzakelijke elementen kunnen aanvoeren.
2.1.3. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank en de tussenuitspraak worden vernietigd. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De rechtbank is niet toegekomen aan de beoordeling of de staatssecretaris niet ten onrechte de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en de gestelde problemen die hieruit voortvloeien niet geloofwaardig heeft geacht. De Afdeling wijst de zaak daarom naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2020 in zaak nr. NL20.3724 en de bijbehorende tussenuitspraak van 10 maart 2020;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2020
314-897.
Datum uitspraak: 20 oktober 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de tussenuitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 10 maart 2020 en haar uitspraak van 27 maart 2020, beide in zaak nr. NL20.3724 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 8 februari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij tussenuitspraak van 10 maart 2020 heeft de rechtbank de staatssecretaris in de gelegenheid gesteld om een in die uitspraak geconstateerd gebrek in dat besluit te herstellen.
Bij brief van 18 maart 2020 heeft de staatssecretaris de rechtbank medegedeeld geen gebruik te maken van voormelde in de tussenuitspraak geboden gelegenheid.
Bij uitspraak van 27 maart 2020 heeft de rechtbank het door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraken heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. D.G. Metselaar, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1. De vreemdeling komt uit Bangladesh. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor vervolging wegens zijn gestelde seksuele gerichtheid. Hij heeft bij binnenkomst in Nederland tegenover de Koninklijke Marechaussee (hierna: de KMar) echter andere verklaringen over de reden van zijn asielaanvraag afgelegd, namelijk dat hij politieke problemen heeft en dat er politieke aanklachten tegen hem lopen in Bangladesh. Deze uitspraak gaat over de vraag of de staatssecretaris deze informatie ten onrechte heeft betrokken bij de beoordeling van de aanvraag.
Grief
2. In de eerste grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte de verklaringen die de vreemdeling heeft afgelegd tegenover de KMar heeft betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas. De staatssecretaris betoogt hiertoe allereerst dat die verklaringen uit eigen beweging zijn afgelegd en de vreemdeling voldoende in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren tijdens de gehoren, in de correcties en aanvullingen op de gehoren en in de zienswijze. De staatssecretaris klaagt verder dat de rechtbank heeft miskend dat de omstandigheid dat de vreemdeling tijdens de rust- en voorbereidingstijd niet mag worden bevraagd, onverlet laat dat informatie die in die periode naar voren komt, kan worden betrokken bij de beoordeling van de asielaanvraag. Tot slot betoogt hij dat de KMar weliswaar geen onderdeel uitmaakt van het bestuursorgaan dat beslist op de asielaanvraag, maar dat de KMar wel tot de Nederlandse autoriteiten behoort waartoe de vreemdeling zich heeft gewend voor internationale bescherming en dat het proces-verbaal van het gehoor op ambtseed is opgemaakt.
2.1. De staatssecretaris betoogt terecht dat in de processen-verbaal van de KMar staat dat de vreemdeling uit eigen beweging heeft verklaard over de reden van zijn asielaanvraag. Zoals de staatssecretaris betoogt, maakt de enkele omstandigheid dat informatie is afgelegd voorafgaand aan of tijdens de rust- en voorbereidingstijd nog niet dat deze informatie niet mag worden betrokken (Stb 2010, 244, p. 17).
2.1.1. Dat de verklaring is afgelegd tegenover de KMar, die geen deel uitmaakt van het bestuursorgaan dat beslist op de asielaanvraag, maakt dit niet anders (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1022). De staatssecretaris moet immers een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten, waarbij hij alle door de vreemdeling afgelegde verklaringen en overgelegde bewijsmiddelen over de reden waarom hij in Nederland asiel wil in onderlinge samenhang en in het licht van de overige afgelegde verklaringen, overgelegde bewijsmiddelen en overige omstandigheden moet bezien (vergelijk bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling 18 november 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3652, 13 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:890 en 1 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:897).
2.1.2. Tot slot heeft de staatssecretaris terecht betoogd dat de vreemdeling tijdens het nader gehoor is geconfronteerd met de tegenstrijdigheid in zijn verklaringen en in de gelegenheid is gesteld hierop te reageren. Hierdoor is hij, in overeenstemming met artikel 3.113, tweede lid, van het Vb 2000, in de gelegenheid gesteld om de tegenstrijdigheid uit te kunnen leggen en heeft hij op die manier zo volledig mogelijk de voor zijn aanvraag noodzakelijke elementen kunnen aanvoeren.
2.1.3. De grief slaagt.
Conclusie
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank en de tussenuitspraak worden vernietigd. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De rechtbank is niet toegekomen aan de beoordeling of de staatssecretaris niet ten onrechte de seksuele gerichtheid van de vreemdeling en de gestelde problemen die hieruit voortvloeien niet geloofwaardig heeft geacht. De Afdeling wijst de zaak daarom naar de rechtbank terug om door haar te worden behandeld, waarbij zij het oordeel van de Afdeling in deze uitspraak in acht neemt (artikel 8:115, eerste lid, aanhef en onder b, van de Awb). De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraken van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 27 maart 2020 in zaak nr. NL20.3724 en de bijbehorende tussenuitspraak van 10 maart 2020;
III. wijst de zaak naar de rechtbank terug.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.W. Prins, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Prins
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2020
314-897.