Raad van State
ECLI:NL:RVS:2019:3341
2019-10-02
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201906160/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 23 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2019:3139 Raad van State 12-09-2019
- ECLI:NL:RVS:2018:271 Raad van State 26-01-2018
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (2.421 tekens)
201906160/1/V3.
Datum uitspraak: 2 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17538 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.A. Welling, advocaat te Wageningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of de staatssecretaris bij een inbewaringstelling krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 gehouden is de asielaanvraag voortvarend te behandelen, heeft de Afdeling bij uitspraken van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3139, en 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraken volgt dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17538;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verheij w.g. Vos
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019
644.
Datum uitspraak: 2 oktober 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17538 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 23 juli 2019 is de vreemdeling in vreemdelingenbewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 augustus 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en de vreemdeling schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E.A. Welling, advocaat te Wageningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De in de enige grief opgeworpen rechtsvraag of de staatssecretaris bij een inbewaringstelling krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000 gehouden is de asielaanvraag voortvarend te behandelen, heeft de Afdeling bij uitspraken van 11 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3139, en 26 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:271, beantwoord. Uit de overwegingen van die uitspraken volgt dat de grief slaagt.
2. Het hoger beroep is alleen al hierom gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig om wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 12 augustus 2019 in zaak nr. NL19.17538;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Vos, griffier.
w.g. Verheij w.g. Vos
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2019
644.