Raad van State
ECLI:NL:RVS:2019:1085
2019-04-08
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201901495/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 25 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
Citeert (3)
- ECLI:NL:RVS:2018:4131 Raad van State 19-12-2018
- ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712
- ECLI:NL:RVS:2017:2857 Raad van State 23-10-2017
Geciteerd door (38)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:24054 Rechtbank Den Haag 25-08-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16626 Rechtbank Den Haag 15-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2665 Rechtbank Den Haag 17-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:15106 Rechtbank Den Haag 08-12-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14651 Rechtbank Den Haag 25-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:6675 Rechtbank Den Haag 16-07-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:3883 Rechtbank Den Haag 24-04-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:2134 Rechtbank Den Haag 27-02-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:979 Rechtbank Den Haag 06-02-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:955 Rechtbank Den Haag 27-01-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:13558 Rechtbank Den Haag 03-12-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:10583 Rechtbank Den Haag 08-10-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:10401 Rechtbank Den Haag 03-10-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:10433 Rechtbank Den Haag 26-09-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2957 Raad van State 28-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2845 Raad van State 22-08-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:8721 Rechtbank Den Haag 13-08-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:8737 Rechtbank Den Haag 18-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:7227 Rechtbank Den Haag 16-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:7230 Rechtbank Den Haag 12-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6568 Rechtbank Den Haag 01-07-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6640 Rechtbank Den Haag 27-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6499 Rechtbank Den Haag 24-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6497 Rechtbank Den Haag 18-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6489 Rechtbank Den Haag 17-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6483 Rechtbank Den Haag 14-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6244 Rechtbank Den Haag 14-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:6245 Rechtbank Den Haag 14-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:8972 Rechtbank Den Haag 27-05-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5969 Rechtbank Den Haag 23-05-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5253 Rechtbank Den Haag 15-05-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:1526 Raad van State 13-05-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5130 Rechtbank Den Haag 03-05-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:8689 Rechtbank Den Haag 02-05-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:8691 Rechtbank Den Haag 02-05-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:4661 Rechtbank Den Haag 25-04-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:3911 Rechtbank Den Haag 19-04-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5129 Rechtbank Den Haag 19-04-2019
Volledige tekst
Volledige tekst (6.695 tekens)
201901495/1/V3.
Datum uitspraak: 8 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 februari 2019 in zaak nr. NL19.1832 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Ross, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling met het rapport van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council, "Mutual trust is still not enough: The situation of persons with special reception needs transferred to Italy under the Dublin III Regulation" van 12 december 2018 (hierna: het rapport van DRC/SRC) aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris bij Italië ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat voor zover het gaat om de overdracht van kwetsbare personen.
1.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, geoordeeld dat de staatssecretaris bij Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.
1.2. Het rapport van DRC/SRC geeft een vergelijkbaar beeld van de situatie in Italië met de situatie die de Afdeling heeft beoordeeld in haar uitspraak van 19 december 2018 en vormt geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. De rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat de vreemdeling met dit rapport aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris bij Italië ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 25 januari 2019 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
3. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij wegens zijn medische situatie geen bijzonder kwetsbaar persoon is als bedoeld in het arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. In Italië is volgens de vreemdeling voor hem geen adequate opvang beschikbaar. Ook uit zijn eerdere overdracht naar Italië blijkt dat hij daar geen opvang en medische zorg krijgt, aldus de vreemdeling.
3.1. Uit de door de vreemdeling overgelegde medische informatie blijkt dat hij onder meer is gediagnosticeerd met schizofrenie, een autistiforme stoornis, diabetes en astma. De staatssecretaris bestrijdt niet langer dat de vreemdeling in Nederland onder medische behandeling staat. Dit laat echter onverlet dat de staatssecretaris er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht van uitgaat dat de vreemdeling in Italië adequate opvang en zorg zal krijgen en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat niet het geval zal zijn. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet uit eigen ervaringen kan putten wat betreft de zorg en opvang in Italië, omdat uit zijn verklaringen tijdens het gehoor over de eerdere overdracht aan Italië blijkt dat hij zich toen niet tot de autoriteiten heeft gewend om een asielaanvraag in te dienen. Anders dan de vreemdeling betoogt, blijkt uit het overgelegde bevel tot uitzetting van de prefect van Turijn van 9 juli 2018 niet dat hij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Uit de opdracht om Italië te verlaten blijkt immers nog niet dat hij geen daadwerkelijke kans heeft gehad om zijn asielwens in Italië te bevestigen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2857).
De beroepsgrond faalt.
4. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris, door zich op het standpunt te stellen dat er geen belemmeringen voor de feitelijke overdracht aan Italië zijn, niet heeft onderkend dat hij met de overgelegde medische stukken de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van de overdracht aannemelijk heeft gemaakt als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:EU:C:2017:127.
4.1. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gezondheidstoestand in de weg staat aan de overdracht aan Italië. Uit de overgelegde medische stukken blijkt namelijk niet dat de overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheidstoestand zal hebben als bedoeld in het arrest C.K. Weliswaar is in het patiëntdossier vermeld dat de vreemdeling een reële angst heeft voor terugkeer naar Italië, maar nergens blijkt uit dat zorgen bestaan voor zijn gezondheidstoestand als gevolg van de feitelijke overdracht. De vreemdeling heeft daarmee dus niet aannemelijk gemaakt dat de overdracht leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie.
De beroepsgrond faalt.
5. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 februari 2019 in zaak nr. NL19.1832;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019
638-846.
Datum uitspraak: 8 april 2019
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 februari 2019 in zaak nr. NL19.1832 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 25 januari 2019 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen niet in behandeling genomen.
Bij uitspraak van 15 februari 2019 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. K. Ross, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. In zijn enige grief klaagt de staatssecretaris dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling met het rapport van de Danish Refugee Council en de Swiss Refugee Council, "Mutual trust is still not enough: The situation of persons with special reception needs transferred to Italy under the Dublin III Regulation" van 12 december 2018 (hierna: het rapport van DRC/SRC) aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris bij Italië ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat voor zover het gaat om de overdracht van kwetsbare personen.
1.1. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 19 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4131, geoordeeld dat de staatssecretaris bij Italië terecht van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.
1.2. Het rapport van DRC/SRC geeft een vergelijkbaar beeld van de situatie in Italië met de situatie die de Afdeling heeft beoordeeld in haar uitspraak van 19 december 2018 en vormt geen aanleiding om daar nu anders over te oordelen. De rechtbank heeft dus ten onrechte overwogen dat de vreemdeling met dit rapport aannemelijk heeft gemaakt dat de staatssecretaris bij Italië ten onrechte van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaat.
De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 25 januari 2019 toetsen in het licht van de daartegen bij de rechtbank aangevoerde beroepsgronden voor zover daarop, na wat hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
3. De vreemdeling heeft betoogd dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij wegens zijn medische situatie geen bijzonder kwetsbaar persoon is als bedoeld in het arrest van het EHRM van 4 november 2014, Tarakhel tegen Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712. In Italië is volgens de vreemdeling voor hem geen adequate opvang beschikbaar. Ook uit zijn eerdere overdracht naar Italië blijkt dat hij daar geen opvang en medische zorg krijgt, aldus de vreemdeling.
3.1. Uit de door de vreemdeling overgelegde medische informatie blijkt dat hij onder meer is gediagnosticeerd met schizofrenie, een autistiforme stoornis, diabetes en astma. De staatssecretaris bestrijdt niet langer dat de vreemdeling in Nederland onder medische behandeling staat. Dit laat echter onverlet dat de staatssecretaris er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht van uitgaat dat de vreemdeling in Italië adequate opvang en zorg zal krijgen en dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat dat niet het geval zal zijn. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet uit eigen ervaringen kan putten wat betreft de zorg en opvang in Italië, omdat uit zijn verklaringen tijdens het gehoor over de eerdere overdracht aan Italië blijkt dat hij zich toen niet tot de autoriteiten heeft gewend om een asielaanvraag in te dienen. Anders dan de vreemdeling betoogt, blijkt uit het overgelegde bevel tot uitzetting van de prefect van Turijn van 9 juli 2018 niet dat hij daartoe niet in de gelegenheid is gesteld. Uit de opdracht om Italië te verlaten blijkt immers nog niet dat hij geen daadwerkelijke kans heeft gehad om zijn asielwens in Italië te bevestigen (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 23 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2857).
De beroepsgrond faalt.
4. De vreemdeling heeft verder betoogd dat de staatssecretaris, door zich op het standpunt te stellen dat er geen belemmeringen voor de feitelijke overdracht aan Italië zijn, niet heeft onderkend dat hij met de overgelegde medische stukken de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van de overdracht aannemelijk heeft gemaakt als bedoeld in het arrest van het Hof van Justitie van 16 februari 2017, C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:EU:C:2017:127.
4.1. De staatssecretaris heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn gezondheidstoestand in de weg staat aan de overdracht aan Italië. Uit de overgelegde medische stukken blijkt namelijk niet dat de overdracht aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen voor zijn gezondheidstoestand zal hebben als bedoeld in het arrest C.K. Weliswaar is in het patiëntdossier vermeld dat de vreemdeling een reële angst heeft voor terugkeer naar Italië, maar nergens blijkt uit dat zorgen bestaan voor zijn gezondheidstoestand als gevolg van de feitelijke overdracht. De vreemdeling heeft daarmee dus niet aannemelijk gemaakt dat de overdracht leidt tot een met artikel 3 van het EVRM strijdige situatie.
De beroepsgrond faalt.
5. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 februari 2019 in zaak nr. NL19.1832;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. J.Th. Drop, leden, in tegenwoordigheid van mr. R.M. Ahmady-Pikart, griffier.
w.g. Verheij w.g. Ahmady-Pikart
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 april 2019
638-846.