Raad van State
ECLI:NL:RVS:2017:780
2017-03-20
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201608167/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RVS:2017:74 Raad van State 18-01-2017
- ECLI:NL:RVS:2017:75 Raad van State 18-01-2017
Geciteerd door (47)
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5596 Rechtbank Den Haag 03-04-2025
- ECLI:NL:RVS:2024:4086 Raad van State 09-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2720 Rechtbank Den Haag 28-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:16266 Rechtbank Den Haag 20-10-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:14237 Rechtbank Den Haag 02-08-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:7962 Rechtbank Den Haag 02-06-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:2283 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:15443 Rechtbank Den Haag 15-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:2715 Rechtbank Den Haag 17-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16865 Rechtbank Den Haag 16-11-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16528 Rechtbank Den Haag 22-09-2021
- ECLI:NL:RBNHO:2021:8867 Rechtbank Noord-Holland 20-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:8848 Rechtbank Den Haag 09-08-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:16060 Rechtbank Den Haag 22-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15824 Rechtbank Den Haag 10-06-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:15759 Rechtbank Den Haag 14-05-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12791 Rechtbank Den Haag 10-12-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:12207 Rechtbank Den Haag 17-11-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:5159 Rechtbank Den Haag 31-03-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:9162 Rechtbank Den Haag 23-08-2019
- ECLI:NL:RVS:2019:2076 Raad van State 28-06-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:5213 Rechtbank Den Haag 22-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:4614 Rechtbank Den Haag 20-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2019:948 Rechtbank Den Haag 05-02-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:13014 Rechtbank Den Haag 26-10-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:11551 Rechtbank Den Haag 12-09-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:9607 Rechtbank Den Haag 30-07-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:8891 Rechtbank Den Haag 19-07-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:8272 Rechtbank Den Haag 24-05-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5871 Rechtbank Den Haag 16-05-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5244 Rechtbank Den Haag 20-04-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5292 Rechtbank Den Haag 19-04-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:6312 Rechtbank Den Haag 17-04-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:5033 Rechtbank Den Haag 09-04-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:4567 Rechtbank Den Haag 27-03-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:1241 Rechtbank Den Haag 15-01-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:1241 Rechtbank Den Haag 15-01-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2017:14622 Rechtbank Den Haag 13-12-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:13074 Rechtbank Den Haag 14-11-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12541 Rechtbank Den Haag 27-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12539 Rechtbank Den Haag 27-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12538 Rechtbank Den Haag 27-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12315 Rechtbank Den Haag 26-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:13282 Rechtbank Den Haag 19-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12629 Rechtbank Den Haag 18-10-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:11154 Rechtbank Den Haag 26-09-2017
- ECLI:NL:RBDHA:2017:12532 Rechtbank Den Haag 31-08-2017
Volledige tekst
Volledige tekst (5.577 tekens)
201608167/1/V3.
Datum uitspraak: 20 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2016 in zaak nr. 16/22147 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.D. den Hartogh, advocaat te Zutphen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling volgt niet het betoog van de vreemdeling dat het hogerberoepschrift van de staatssecretaris, met de verwijzing daarin naar grieven in een daarbij gevoegd hogerberoepschrift in een andere vrijwel identieke zaak, geen grieven bevat.
2. De in het hogerberoepschrift opgeworpen vragen heeft de Afdeling bij de uitspraken van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74 en ECLI:NL:RVS:2017:75, beantwoord. Hieruit volgt dat het hoger beroep van de staatssecretaris ook in deze zaak op grond van het slagen van grief 2 kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
3. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 28 september 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4.1. In beroep heeft de vreemdeling geklaagd dat de staatssecretaris ten onrechte zijn aanvraag niet krachtens artikel 8, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) in behandeling heeft genomen. Hij voert aan dat hij een niet-begeleide minderjarige is en dat Nederland ingevolge die bepaling de voor de behandeling van zijn aanvraag verantwoordelijke lidstaat is.
4.2. Vast staat dat de vreemdeling bij zijn registratie in Duitsland een geboortedatum heeft opgegeven, waardoor hij in dat land als meerderjarig is geregistreerd. Met de overgelegde kopie van een op zijn naam gestelde Taskera heeft de vreemdeling zijn thans gestelde minderjarigheid niet aannemelijk gemaakt. De staatssecretaris wijst er in het besluit van 28 september 2016 terecht op dat de authenticiteit van dit stuk niet kan worden vastgesteld. De staatssecretaris heeft verder terecht in aanmerking genomen dat de vreemdeling zijn geboortedatum in Duitsland kon corrigeren, maar dat niet heeft gedaan, alsmede dat hij bij de vreemdelingenpolitie inconsistente verklaringen heeft afgelegd over zijn leeftijd. De staatssecretaris was, anders dan de vreemdeling heeft gesteld, dan ook niet gehouden tot het doen verrichten van een leeftijdsonderzoek. Hij heeft de vreemdeling bij het besluit terecht als meerderjarige aangemerkt en zijn aanvraag niet krachtens artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening in behandeling genomen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2016 in zaak nr. 16/22147;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.
w.g. Van der Wiel w.g. Van Roosmalen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2017
47.
Datum uitspraak: 20 maart 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
2. [de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2016 in zaak nr. 16/22147 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 28 september 2016 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. C.D. den Hartogh, advocaat te Zutphen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft nadere stukken ingediend.
De staatssecretaris heeft een zienswijze naar voren gebracht.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De Afdeling volgt niet het betoog van de vreemdeling dat het hogerberoepschrift van de staatssecretaris, met de verwijzing daarin naar grieven in een daarbij gevoegd hogerberoepschrift in een andere vrijwel identieke zaak, geen grieven bevat.
2. De in het hogerberoepschrift opgeworpen vragen heeft de Afdeling bij de uitspraken van 18 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:74 en ECLI:NL:RVS:2017:75, beantwoord. Hieruit volgt dat het hoger beroep van de staatssecretaris ook in deze zaak op grond van het slagen van grief 2 kennelijk gegrond is. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.
3. Hetgeen de vreemdeling in het hogerberoepschrift heeft aangevoerd en aan artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond en het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 28 september 2016 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.
4.1. In beroep heeft de vreemdeling geklaagd dat de staatssecretaris ten onrechte zijn aanvraag niet krachtens artikel 8, vierde lid, van de Verordening (EU) nr. 604/2013 (PB 2013 L 180; hierna: de Dublinverordening) in behandeling heeft genomen. Hij voert aan dat hij een niet-begeleide minderjarige is en dat Nederland ingevolge die bepaling de voor de behandeling van zijn aanvraag verantwoordelijke lidstaat is.
4.2. Vast staat dat de vreemdeling bij zijn registratie in Duitsland een geboortedatum heeft opgegeven, waardoor hij in dat land als meerderjarig is geregistreerd. Met de overgelegde kopie van een op zijn naam gestelde Taskera heeft de vreemdeling zijn thans gestelde minderjarigheid niet aannemelijk gemaakt. De staatssecretaris wijst er in het besluit van 28 september 2016 terecht op dat de authenticiteit van dit stuk niet kan worden vastgesteld. De staatssecretaris heeft verder terecht in aanmerking genomen dat de vreemdeling zijn geboortedatum in Duitsland kon corrigeren, maar dat niet heeft gedaan, alsmede dat hij bij de vreemdelingenpolitie inconsistente verklaringen heeft afgelegd over zijn leeftijd. De staatssecretaris was, anders dan de vreemdeling heeft gesteld, dan ook niet gehouden tot het doen verrichten van een leeftijdsonderzoek. Hij heeft de vreemdeling bij het besluit terecht als meerderjarige aangemerkt en zijn aanvraag niet krachtens artikel 8, vierde lid, van de Dublinverordening in behandeling genomen.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 25 oktober 2016 in zaak nr. 16/22147;
IV. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. G. van der Wiel, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, griffier.
w.g. Van der Wiel w.g. Van Roosmalen
lid van de enkelvoudige kamer griffier
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2017
47.