Raad van State
ECLI:NL:RVS:2017:1328
2017-05-18
Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
201608226/1/V3
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.
Citeert (1)
Geciteerd door (49)
- ECLI:NL:RBDHA:2026:10195 Rechtbank Den Haag 22-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:11468 Rechtbank Den Haag 21-04-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:2038 Rechtbank Den Haag 06-02-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2026:892 Rechtbank Den Haag 21-01-2026
- ECLI:NL:RVS:2026:73 Raad van State 07-01-2026
- ECLI:NL:RBDHA:2025:24305 Rechtbank Den Haag 18-12-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:22579 Rechtbank Den Haag 28-11-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:21138 Rechtbank Den Haag 21-10-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:11356 Rechtbank Den Haag 13-06-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9436 Rechtbank Den Haag 28-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:9322 Rechtbank Den Haag 22-05-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5332 Rechtbank Den Haag 31-03-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:560 Rechtbank Den Haag 15-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2025:259 Rechtbank Den Haag 10-01-2025
- ECLI:NL:RBDHA:2024:21855 Rechtbank Den Haag 23-12-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:16796 Rechtbank Den Haag 16-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:11651 Rechtbank Den Haag 15-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:10492 Rechtbank Den Haag 02-07-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:7298 Rechtbank Den Haag 14-05-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:6489 Rechtbank Den Haag 30-04-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:2439 Rechtbank Den Haag 27-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1354 Rechtbank Den Haag 07-02-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:1049 Rechtbank Den Haag 25-01-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2023:18969 Rechtbank Den Haag 15-05-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:5452 Rechtbank Den Haag 13-04-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:4619 Rechtbank Den Haag 27-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:22268 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:22268 Rechtbank Den Haag 28-02-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2023:784 Rechtbank Den Haag 26-01-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2022:12158 Rechtbank Den Haag 11-11-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:6049 Rechtbank Den Haag 16-06-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:3181 Rechtbank Den Haag 23-03-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2022:11527 Rechtbank Den Haag 28-02-2022
- ECLI:NL:RBDHA:2021:12601 Rechtbank Den Haag 18-10-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:11054 Rechtbank Den Haag 08-10-2021
- ECLI:NL:RBNNE:2021:4346 Rechtbank Noord-Nederland 23-09-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:7117 Rechtbank Den Haag 06-07-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:2255 Rechtbank Den Haag 05-03-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:608 Rechtbank Den Haag 19-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2021:298 Rechtbank Den Haag 11-01-2021
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14235 Rechtbank Den Haag 24-12-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:13931 Rechtbank Den Haag 04-12-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:10670 Rechtbank Den Haag 26-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14482 Rechtbank Den Haag 08-10-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:14623 Rechtbank Den Haag 24-09-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2020:209 Rechtbank Den Haag 13-01-2020
- ECLI:NL:RBDHA:2019:11660 Rechtbank Den Haag 22-10-2019
- ECLI:NL:RBDHA:2018:15605 Rechtbank Den Haag 14-12-2018
- ECLI:NL:RBDHA:2018:4837 Rechtbank Den Haag 23-04-2018
Volledige tekst
Volledige tekst (4.887 tekens)
201608226/1/V3.
Datum uitspraak: 18 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2016 in zaak nr. 15/20564 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 11 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft jegens de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het inreisverbod ondeugdelijk heeft gemotiveerd, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377 (hierna: het arrest Z.Zh. en I.O.).
3. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het besluit weergegeven motivering geen betrekking heeft op het persoonlijk gedrag van de vreemdeling, nu hij in het besluit heeft vermeld dat de vreemdeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden is veroordeeld voor het aanwezig hebben van synthetische drugs en hennepteelt en heeft gewezen op de schadelijke gevolgen van deze drugs en van drugscriminaliteit. Voorts is in het besluit vermeld dat de opgelegde gevangenisstraf niet gering is, hetgeen betrekking heeft op het persoonlijke gedrag van de vreemdeling en waaruit de ernst van de strafbare feiten blijkt, aldus de staatssecretaris. Ook is erop gewezen dat de bedreiging nog actueel is, nu de vreemdeling op 28 november 2014 is veroordeeld en hij op het moment dat het besluit werd genomen nog was gedetineerd. Daarnaast heeft de staatssecretaris in het besluit ook de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling bij de beoordeling betrokken.
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het standpunt van de staatssecretaris, dat drugscriminaliteit vaak met andere vormen van criminaliteit gepaard gaat, is gebaseerd op een algemene praktijk of vermoeden en dat de beschrijving van de door de vreemdeling gepleegde strafbare feiten slechts feitelijk is.
De staatssecretaris heeft in het besluit echter ook de recente pleegdatum, de niet geringe duur van de opgelegde gevangenisstraf en het feit dat de vreemdeling zijn tijd sinds het plegen van het misdrijf uitsluitend in detentie heeft doorgebracht meegewogen. Tegen die achtergrond komt aan de gedragingen van de vreemdeling na zijn veroordeling nauwelijks betekenis toe, aangezien deze louter gerelateerd kunnen worden aan zijn verblijf in detentie. Hetzelfde geldt voor het feit dat als gevolg van de detentie vooralsnog niet is kunnen blijken dat het gevaar voor recidive is geweken. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris daarmee overeenkomstig het arrest Z.Zh. en I.O. de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling voldoende bij de beoordeling heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 oktober 2015 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2016 in zaak nr. 15/20564;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Folkertsma-Agtersloot, griffier.
w.g. Verheij w.g. Folkertsma-Agtersloot
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2017
699.
Datum uitspraak: 18 mei 2017
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2016 in zaak nr. 15/20564 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 15 oktober 2015 heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, een inreisverbod tegen de vreemdeling uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 11 oktober 2016 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.B.J. Strooij, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De staatssecretaris heeft jegens de vreemdeling een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van tien jaar, met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
2. De rechtbank heeft overwogen dat de staatssecretaris het inreisverbod ondeugdelijk heeft gemotiveerd, gelet op het arrest van het Hof van Justitie van 11 juni 2015, Z.Zh. en I.O., ECLI:EU:C:2015:377 (hierna: het arrest Z.Zh. en I.O.).
3. De staatssecretaris klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de in het besluit weergegeven motivering geen betrekking heeft op het persoonlijk gedrag van de vreemdeling, nu hij in het besluit heeft vermeld dat de vreemdeling tot een gevangenisstraf van 36 maanden is veroordeeld voor het aanwezig hebben van synthetische drugs en hennepteelt en heeft gewezen op de schadelijke gevolgen van deze drugs en van drugscriminaliteit. Voorts is in het besluit vermeld dat de opgelegde gevangenisstraf niet gering is, hetgeen betrekking heeft op het persoonlijke gedrag van de vreemdeling en waaruit de ernst van de strafbare feiten blijkt, aldus de staatssecretaris. Ook is erop gewezen dat de bedreiging nog actueel is, nu de vreemdeling op 28 november 2014 is veroordeeld en hij op het moment dat het besluit werd genomen nog was gedetineerd. Daarnaast heeft de staatssecretaris in het besluit ook de persoonlijke omstandigheden van de vreemdeling bij de beoordeling betrokken.
3.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het standpunt van de staatssecretaris, dat drugscriminaliteit vaak met andere vormen van criminaliteit gepaard gaat, is gebaseerd op een algemene praktijk of vermoeden en dat de beschrijving van de door de vreemdeling gepleegde strafbare feiten slechts feitelijk is.
De staatssecretaris heeft in het besluit echter ook de recente pleegdatum, de niet geringe duur van de opgelegde gevangenisstraf en het feit dat de vreemdeling zijn tijd sinds het plegen van het misdrijf uitsluitend in detentie heeft doorgebracht meegewogen. Tegen die achtergrond komt aan de gedragingen van de vreemdeling na zijn veroordeling nauwelijks betekenis toe, aangezien deze louter gerelateerd kunnen worden aan zijn verblijf in detentie. Hetzelfde geldt voor het feit dat als gevolg van de detentie vooralsnog niet is kunnen blijken dat het gevaar voor recidive is geweken. De rechtbank heeft niet onderkend dat de staatssecretaris daarmee overeenkomstig het arrest Z.Zh. en I.O. de persoonlijke gedragingen van de vreemdeling voldoende bij de beoordeling heeft betrokken en deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling een daadwerkelijk en actueel gevaar voor de openbare orde vormt. De grief slaagt.
4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 15 oktober 2015 van de staatssecretaris alsnog ongegrond verklaren.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 11 oktober 2016 in zaak nr. 15/20564;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. A.B.M. Hent en mr. G.M.H. Hoogvliet, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.M. Folkertsma-Agtersloot, griffier.
w.g. Verheij w.g. Folkertsma-Agtersloot
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2017
699.