Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:9490

2026-09-29 Civiel recht C/02/452594 HA RK 26-195 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-29
Publicatiedatum
2026-10-01
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedure
Wraking
Zaaknummer
C/02/452594 HA RK 26-195 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.955 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Wrakingskamer



Locatie: Breda



Procedurenummer: C/02/452594 HA RK 26-195




beslissing van 29 september 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht van:





mr. [verzoeker] qq, verzoeker.






1Procesverloop


Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:


 de processtukken zoals opgenomen in de procesdossiers van de hoofdzaken met nummers F.02/20/257 en F.02/20/258,
 het wrakingsverzoek met producties van 23 september 2026,
 het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 24 september 2026 waarin staat dat hij niet in de wraking berust,
 de aanvulling op het wrakingsverzoek met producties van 24 september 2026.






2Het verzoek


2.1
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Van Geloven (hierna: de rechter), optredend als faillissementsrechter in de bovengenoemde hoofdzaken. Dit verzoek berust op de gronden zoals die door verzoeker uiteen zijn gezet in het wrakingsverzoek van 23 september 2026 en de aanvulling daarop van 24 september 2026.



2.2
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.






3De feiten en de gronden van het wrakingsverzoek


3.1
Op 22 september 2026 heeft verzoeker een verzoek tot verwijzing van de hoofdzaken naar een ander arrondissement, tevens subsidiair een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. De wrakingskamer heeft hierop via e-mail aan verzoeker laten weten dat het volgens de rechtspraak van de Hoge Raad niet mogelijk is om een voorwaardelijk wrakingsverzoek in te dienen.



3.2
Vervolgens heeft verzoeker op 23 september 2026 een losstaand wrakingsverzoek jegens de rechter ingediend. Op 24 september 2026 heeft hij een aanvulling daarop ingediend, waarbij hij heeft meegedeeld dat er nog steeds sprake is van een (separaat) verzoek tot verwijzing en hij verwacht dat dit primair behandeld zal worden.



3.3
Volgens verzoeker heeft de rechter om de volgende redenen de schijn van partijdigheid gewekt. In 2022 heeft de rechter in het kader van de faillissementen die aan de orde zijn in de hoofdzaken een dekensignaal over verzoeker afgegeven. Dit signaal was onterecht en waarschijnlijk gebaseerd op informatie van de tegenpartij. Naar aanleiding van een klacht hierover van verzoeker heeft de rechter volgens verzoeker excuses gemaakt voor het niet houden van zakelijke distantie ten opzichte van de deken. Daarnaast heeft de rechtbank een door de advocaat van de tegenpartij gehanteerd foutief kantooradres van verzoeker overgenomen. Doordat de rechter kennelijk geen bezwaren uit tegen de gang van zaken, wordt het beginsel van hoor en wederhoor, de goede procesorde, de stelplicht en het beginsel van procesgelijkheid geschonden.



3.4
In de aanvulling op het wrakingsverzoek stelt verzoeker zich op het standpunt dat het wel degelijk mogelijk is om tegelijkertijd een verzoek om verwijzing als een verzoek tot wraking in te dienen. De e-mail van de griffier van de wrakingskamer waarin staat dat dit niet zo is, getuigt dan ook van strijd met de goede procesorde en het recht op een eerlijk proces. De gedachte dringt zich op dat de griffier ongeoorloofd onder druk is gezet door de rechter, dan wel dat de rechter dit bericht zelf heeft geredigeerd, aldus verzoeker. Ten slotte heeft de rechter volgens verzoeker de verdere schijn van partijdigheid gewekt door het eerdere verwijzingsverzoek van 22 september 2026 zelf af te wijzen en die beslissing te voorzien van een summiere en onvolledige motivering.






4De beoordeling


4.1
Op grond van artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.



4.2
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.



4.3
Hieruit vloeit voort dat de wrakingskamer niet kan ingaan op de door verzoeker geuite twijfels bij het handelen van andere instanties en functionarissen dan de rechter (te weten: de rechtbank Zeeland-West-Brabant als geheel, de top van deze rechtbank, de voorzitter van het team Civiel, de leider van het team Insolventies, het hoofd van de administratie, de griffier, de rechter-commissaris en de advocaat van de tegenpartij).



4.4
Anders dan verzoeker aanvoert, verhoudt een wrakingsverzoek zich niet met een tegelijkertijd ingediend verwijzingsverzoek. Een verzoek om de hoofdzaken te verwijzen is namelijk gericht aan de behandelend rechter, terwijl een wrakingsverzoek ertoe strekt de behandelend rechter van de zaken te vervangen. De wrakingskamer kan het wrakingsverzoek van 23 september 2026, aangevuld op 24 september 2026, in behandeling nemen omdat dit niet voorwaardelijk is gedaan, maar kan zich niet uitspreken over het (herhaalde) verwijzingsverzoek.



4.5
Uit wat verzoeker heeft aangevoerd, kan geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter worden afgeleid. Dat de rechter in 2022 aan de deken heeft gevraagd om na te gaan of het wel goed gaat met verzoeker, en dat hij zich volgens verzoeker in 2022 heeft geëxcuseerd voor het daarbij gehanteerde informele taalgebruik, betekent niet dat moet worden aangenomen dat de rechter nu niet onpartijdig jegens verzoeker kan handelen. Dat er in correspondentie met verzoeker kennelijk per abuis een foutief kantooradres is gehanteerd, hetgeen verzoeker volgens het wrakingsverzoek al bij de griffie van het team Civiel heeft aangekaart, is ook onvoldoende. Voor de stelling van verzoeker dat het voorgaande op instigatie van de wederpartij is gebeurd, zijn geen aanknopingspunten te vinden.



4.6
De afwijzing van het eerdere verwijzingsverzoek van 22 september 2026 door de rechter is ook geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid. Er was op dat moment geen sprake van een wrakingsverzoek, aangezien er enkel een voorwaardelijk wrakingsverzoek was ingediend dat bovendien door de wrakingskamer buiten behandeling is gesteld. Daar komt bij dat het niet overgaan tot verwijzing een procesbeslissing betreft. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, bijvoorbeeld het arrest van 25 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1413, kan de wrakingskamer daar geen oordeel over geven, ook niet als er naar gesteld sprake is van een onjuiste motivering. De reden hiervoor is dat er tegen een uitspraak van de rechtbank doorgaans een rechtsmiddel (zoals hoger beroep) kan worden ingesteld waarbij dit aan de orde kan komen.



4.7
De e-mail van de wrakingskamer over het eerdere wrakingsverzoek van 22 september 2026 is tot stand gekomen na overleg tussen de voorzitter en de griffier van de wrakingkamer. Van inmenging van de gewraakte rechter hierbij is geen sprake geweest. De wrakingskamer ziet daarom geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van verzoeker om een digitaal onderzoek naar deze e-mail te laten verrichten. In deze gang van zaken kan geen zwaarwegende aanwijzing voor vooringenomenheid van de rechter worden gevonden.



4.8
Gelet op het voorgaande is sprake van een kennelijk ongegrond wrakingsverzoek. Om die reden laat de wrakingskamer een mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbanken, rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wraking, wrakingsprotocol).










5De beslissing


De wrakingskamer:



 wijst het verzoek tot wraking af;
 bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaken met nummers F.02/20/257 en F.02/20/258 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.




Deze beslissing is genomen op 29 september 2026 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Van Alphen en mr. Marsé, rechters, in aanwezigheid van mr. Hamans, griffier. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.











De griffier is verhinderd om deze


beslissing mede te ondertekenen.



voorzitter









Afschrift verzonden aan partijen op:





Rechtsmiddel

Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.