Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9443
2026-09-11
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/02/452100 HA RK 26-175 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking, kennelijk ongrgrond, wrakingsverbod.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:8291 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-08-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.533 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/452100 HA RK 26-175
beslissing van 11 september 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:
[verzoeker]
,
verzoeker.
1Procesverloop
Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met procedurenummer 12281473 OV 26-2022,
de zittingsaantekeningen van 7 september 2026 waaruit volgt dat verzoeker de rechter opnieuw wraakt,
het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 9 september 2026, waaruit volgt dat zij niet in het wrakingsverzoek berust.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Speekenbrink (hierna: de rechter), optredend als kantonrechter in de bovengenoemde hoofdzaak. Dit verzoek berust op de gronden zoals is weergegeven in de zittingsaantekeningen van de zitting van
7 september 2026.
2.2.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
3De gronden van het wrakingsverzoek
Verzoeker legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat door de rechter valsheid in geschrifte is gepleegd. Dit volgt uit de zittingsaantekeningen van 7 september 2026. Hierin is het volgende vermeld:
“Betr: (…) Ik wraak u, ik wil dat u mijn huis verlaat!
Ktr: U mag mij wraken.
Betr: Dat heb ik net gedaan.
Ktr: Als u dat doet, dan wil ik weten waarom.
Betr: Valsheid in geschrifte door u. Dan krijg ik hoor en wederhoor.
Ktr: Uw vorige wraking is ongegrond verklaard.
Betr: Dat was valsheid in geschrifte! Dat hoort u toch.
Ktr: Als u mij wraakt moet u aangeven waarom.
Betr: Dat doe ik niet.
Ktr: U moet er rekening mee houden dat uw wraking weer ongegrond wordt verklaard.
Betr: Dat risico neem ik . De gevolgen accepteer ik.(…)”
4De beoordeling
Beoordelingskader
4.1.
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de grond
4.3.
Verzoeker heeft tijdens de zitting de rechter gewraakt en als wrakingsgrond genoemd dat sprake is van valsheid in geschrifte door de rechter. Uit de zittingsaantekeningen van 7 september 2026 volgt dat verzoeker geen nadere toelichting heeft gegeven op zijn verzoek, ondanks dat de rechter daar meermaals om heeft gevraagd. Verzoeker heeft zijn stelling dat sprake zou zijn van valsheid in geschrifte op geen enkele wijze onderbouwd.
Bovendien heeft de rechter in de hoofdzaak ook niets geschreven of heeft zij iets laten schrijven waaruit zelf maar een begin van een aanwijzing voor deze zware beschuldiging kan worden afgeleid. Van (een schijn van) partijdigheid is naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen sprake.
4.4.
De wrakingskamer zal gelet hierop het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaren. Om die reden laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
Wrakingsverbod
4.5.
Aangezien door verzoeker in korte tijd een tweede wrakingsverzoek in deze zaak is gedaan (zie ECLI:NL:RBZWB:2026:8291) en door verzoeker geen toelichting op zijn wrakingsgrond is gegeven, stelt de wrakingskamer vast dat door verzoeker de wraking kennelijk niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het instrument bedoeld is. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 39 lid 5 Rv om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
5De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met procedurenummer 12281473 OV26-2022 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in het kader van de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen op 11 september 2026 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Broeder en mr. Ebben , rechters, in aanwezigheid van mr. Rockx, griffier en ondertekend door mr. Ebben. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Wrakingskamer
Locatie: Breda
Procedurenummer: C/02/452100 HA RK 26-175
beslissing van 11 september 2026 op het wrakingsverzoek zoals bedoeld in artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van:
[verzoeker]
,
verzoeker.
1Procesverloop
Het verloop van deze procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier van de hoofdzaak met procedurenummer 12281473 OV 26-2022,
de zittingsaantekeningen van 7 september 2026 waaruit volgt dat verzoeker de rechter opnieuw wraakt,
het e-mailbericht van de gewraakte rechter aan de wrakingskamer van 9 september 2026, waaruit volgt dat zij niet in het wrakingsverzoek berust.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Speekenbrink (hierna: de rechter), optredend als kantonrechter in de bovengenoemde hoofdzaak. Dit verzoek berust op de gronden zoals is weergegeven in de zittingsaantekeningen van de zitting van
7 september 2026.
2.2.
De rechter berust niet in het verzoek tot wraking.
3De gronden van het wrakingsverzoek
Verzoeker legt aan het wrakingsverzoek ten grondslag dat door de rechter valsheid in geschrifte is gepleegd. Dit volgt uit de zittingsaantekeningen van 7 september 2026. Hierin is het volgende vermeld:
“Betr: (…) Ik wraak u, ik wil dat u mijn huis verlaat!
Ktr: U mag mij wraken.
Betr: Dat heb ik net gedaan.
Ktr: Als u dat doet, dan wil ik weten waarom.
Betr: Valsheid in geschrifte door u. Dan krijg ik hoor en wederhoor.
Ktr: Uw vorige wraking is ongegrond verklaard.
Betr: Dat was valsheid in geschrifte! Dat hoort u toch.
Ktr: Als u mij wraakt moet u aangeven waarom.
Betr: Dat doe ik niet.
Ktr: U moet er rekening mee houden dat uw wraking weer ongegrond wordt verklaard.
Betr: Dat risico neem ik . De gevolgen accepteer ik.(…)”
4De beoordeling
Beoordelingskader
4.1.
Op grond van artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan elk van de rechters die een zaak behandelt op verzoek van een partij worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt dat een rechter op grond van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Alleen een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert, of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de grond
4.3.
Verzoeker heeft tijdens de zitting de rechter gewraakt en als wrakingsgrond genoemd dat sprake is van valsheid in geschrifte door de rechter. Uit de zittingsaantekeningen van 7 september 2026 volgt dat verzoeker geen nadere toelichting heeft gegeven op zijn verzoek, ondanks dat de rechter daar meermaals om heeft gevraagd. Verzoeker heeft zijn stelling dat sprake zou zijn van valsheid in geschrifte op geen enkele wijze onderbouwd.
Bovendien heeft de rechter in de hoofdzaak ook niets geschreven of heeft zij iets laten schrijven waaruit zelf maar een begin van een aanwijzing voor deze zware beschuldiging kan worden afgeleid. Van (een schijn van) partijdigheid is naar het oordeel van de wrakingskamer dan ook geen sprake.
4.4.
De wrakingskamer zal gelet hierop het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond verklaren. Om die reden laat de wrakingskamer de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege overeenkomstig artikel 4, tweede lid, aanhef en onder a, van het Wrakingsprotocol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (gepubliceerd op de website www.rechtspraak.nl, zie rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
Wrakingsverbod
4.5.
Aangezien door verzoeker in korte tijd een tweede wrakingsverzoek in deze zaak is gedaan (zie ECLI:NL:RBZWB:2026:8291) en door verzoeker geen toelichting op zijn wrakingsgrond is gegeven, stelt de wrakingskamer vast dat door verzoeker de wraking kennelijk niet wordt gebruikt voor het doel waarvoor het instrument bedoeld is. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 39 lid 5 Rv om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
5De beslissing
De wrakingskamer:
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de hoofdzaak met procedurenummer 12281473 OV26-2022 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in het kader van de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is genomen op 11 september 2026 door mr. ing. Peters, rechter en voorzitter, en mr. Broeder en mr. Ebben , rechters, in aanwezigheid van mr. Rockx, griffier en ondertekend door mr. Ebben. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.