Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9442
2026-09-11
Strafrecht; Strafprocesrecht
C/02/451775 HA RK 26-165
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking, ongegrond.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (7.279 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/451775 HA RK 26-165
beslissing van 11 september 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
hierna te noemen: verzoeker.
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met parketnummer 02-235566-26, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de politierechter op 27 augustus 2026,
het e-mailbericht van 27 augustus 2026 van de politierechter, waarin zij laat weten niet in het wrakingsverzoek te berusten en zij kort een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek geeft.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Pastoors, hierna de rechter, belast met de behandeling van de zaak met parketnummer 02-235566-26.
2.2.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
3De gronden van het wrakingsverzoek
3.1.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 27 augustus 2026 is vermeld dat verzoeker het volgende verklaart: (…)Ik hoor u zeggen dat u grote gelijkenissen ziet tussen de persoon op de beelden en mij hier in de zittingszaal. U zegt mij dat ik stil moet zijn als u praat. U moet stil zijn, als ik praat. U zegt dat u de regie heeft over de zitting en niet ik. Ik wil bij een echte rechter voor komen. U zegt dat we elkaar hier in de zaal met respect behandelen. Ik wil me verdedigen. U houdt aan mij mijn strafblad voor. (na een korte stilte). Ik wraak u want ik vind u niet onafhankelijk.
De politierechter benoemt dat verdachte als grond voor de wraking geeft dat zij niet onafhankelijk zou zijn. Zij geeft aan dat het proces-verbaal zal worden opgemaakt en dat de zaak aan de wrakingskamer zal worden voorgelegd. (…)”.
4De reactie van de rechter
4.1.
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten.
4.2.
De rechter heeft in haar schriftelijke reactie verder kenbaar gemaakt dat geen sprake is van vooringenomenheid van haar kant. Zij heeft ter zitting aan verzoeker het dossier voorgehouden, hem vragen gesteld en hem erop gewezen dat zij de regie over de zitting heeft en niet verzoeker.
5De beoordeling
Toetsingskader
5.1.
Op grond van artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelen wraken op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 513, lid 1, Sv wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld aan verzoekster bekend zijn geworden.
5.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
5.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de gronden
5.4.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Aan verzoeker is een brief gestuurd waarin zijn verhinderdata zijn gevraagd. Van verzoeker is geen reactie ontvangen. Omdat de rechter kenbaar heeft gemaakt in haar e-mailbericht van 27 augustus 2026 te volstaan met haar korte schriftelijke reactie en verzoeker niet op de brief van de wrakingskamer heeft gereageerd dat hij zijn verzoek nader wil toelichten, gaat de wrakingskamer ervan uit dat het verzoek zoals gedaan tijdens de politierechter zitting volstaat. Daarom heeft de wrakingskamer bepaald dat het zonder zitting wordt afgedaan.
5.5.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2026 volgt dat verzoeker van mening is dat de rechter stil moest zijn als hij wilde spreken. Op het moment dat de rechter hem heeft gecorrigeerd en verzoeker heeft gemaand stil te zijn als zij aan het woord is, heeft verzoeker de rechter verweten dat zij niet onafhankelijk is. De wrakingskamer begrijpt het verzoek van verzoeker zo dat hij de rechter verwijt daarmee de schijn van partijdigheid te hebben gewekt. De wrakingskamer overweegt dat anders dan verzoeker lijkt te veronderstellen, de rechter de leiding heeft van het onderzoek ter terechtzitting, gelet op artikel 272, lid 1 Sv. Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2026 volgt dat de rechter daar tijdens de zitting op heeft gewezen. Daarmee geeft zij slechts de in de wet geregelde organisatie van een zitting weer en dat geeft geen blijk van (de schijn van) partijdigheid.
5.6.
Ook met de opmerking dat zij grote gelijkenissen ziet tussen de persoon op de beelden en verzoeker geeft de rechter geen blijk van (de schijn van) partijdigheid. Daarmee geeft de rechter immers nog geen oordeel over de schuld van verzoeker. Ditzelfde geldt voor het voorhouden van het strafblad van verzoeker.
Conclusie
5.7.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
6De beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 02-235566-26 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 11 september 2026 door mr. Peters, mr. Broeders en mr. Ebben en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier en ondertekend door mr. Ebben. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/451775 HA RK 26-165
beslissing van 11 september 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering (Sv) van:
[verzoeker],
hierna te noemen: verzoeker.
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in het procesdossier met parketnummer 02-235566-26, waaronder het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van de politierechter op 27 augustus 2026,
het e-mailbericht van 27 augustus 2026 van de politierechter, waarin zij laat weten niet in het wrakingsverzoek te berusten en zij kort een schriftelijke reactie op het wrakingsverzoek geeft.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Pastoors, hierna de rechter, belast met de behandeling van de zaak met parketnummer 02-235566-26.
2.2.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
3De gronden van het wrakingsverzoek
3.1.
In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 27 augustus 2026 is vermeld dat verzoeker het volgende verklaart: (…)Ik hoor u zeggen dat u grote gelijkenissen ziet tussen de persoon op de beelden en mij hier in de zittingszaal. U zegt mij dat ik stil moet zijn als u praat. U moet stil zijn, als ik praat. U zegt dat u de regie heeft over de zitting en niet ik. Ik wil bij een echte rechter voor komen. U zegt dat we elkaar hier in de zaal met respect behandelen. Ik wil me verdedigen. U houdt aan mij mijn strafblad voor. (na een korte stilte). Ik wraak u want ik vind u niet onafhankelijk.
De politierechter benoemt dat verdachte als grond voor de wraking geeft dat zij niet onafhankelijk zou zijn. Zij geeft aan dat het proces-verbaal zal worden opgemaakt en dat de zaak aan de wrakingskamer zal worden voorgelegd. (…)”.
4De reactie van de rechter
4.1.
De rechter heeft aangegeven niet in de wraking te berusten.
4.2.
De rechter heeft in haar schriftelijke reactie verder kenbaar gemaakt dat geen sprake is van vooringenomenheid van haar kant. Zij heeft ter zitting aan verzoeker het dossier voorgehouden, hem vragen gesteld en hem erop gewezen dat zij de regie over de zitting heeft en niet verzoeker.
5De beoordeling
Toetsingskader
5.1.
Op grond van artikel 512 Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) kan een verdachte of het Openbaar Ministerie elk van de rechters die een strafzaak behandelen wraken op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Op grond van artikel 513, lid 1, Sv wordt het verzoek tot wraking gedaan, zodra de feiten en omstandigheden als hiervoor bedoeld aan verzoekster bekend zijn geworden.
5.2.
De wrakingskamer stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter geldt het uitgangspunt, dat een rechter op grond van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Een uitzonderlijke omstandigheid kan een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een procespartij een vooringenomenheid koestert, of dat een bij een partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
5.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de gronden
5.4.
De wrakingskamer overweegt als volgt. Aan verzoeker is een brief gestuurd waarin zijn verhinderdata zijn gevraagd. Van verzoeker is geen reactie ontvangen. Omdat de rechter kenbaar heeft gemaakt in haar e-mailbericht van 27 augustus 2026 te volstaan met haar korte schriftelijke reactie en verzoeker niet op de brief van de wrakingskamer heeft gereageerd dat hij zijn verzoek nader wil toelichten, gaat de wrakingskamer ervan uit dat het verzoek zoals gedaan tijdens de politierechter zitting volstaat. Daarom heeft de wrakingskamer bepaald dat het zonder zitting wordt afgedaan.
5.5.
Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2026 volgt dat verzoeker van mening is dat de rechter stil moest zijn als hij wilde spreken. Op het moment dat de rechter hem heeft gecorrigeerd en verzoeker heeft gemaand stil te zijn als zij aan het woord is, heeft verzoeker de rechter verweten dat zij niet onafhankelijk is. De wrakingskamer begrijpt het verzoek van verzoeker zo dat hij de rechter verwijt daarmee de schijn van partijdigheid te hebben gewekt. De wrakingskamer overweegt dat anders dan verzoeker lijkt te veronderstellen, de rechter de leiding heeft van het onderzoek ter terechtzitting, gelet op artikel 272, lid 1 Sv. Uit het proces-verbaal van de zitting van 27 augustus 2026 volgt dat de rechter daar tijdens de zitting op heeft gewezen. Daarmee geeft zij slechts de in de wet geregelde organisatie van een zitting weer en dat geeft geen blijk van (de schijn van) partijdigheid.
5.6.
Ook met de opmerking dat zij grote gelijkenissen ziet tussen de persoon op de beelden en verzoeker geeft de rechter geen blijk van (de schijn van) partijdigheid. Daarmee geeft de rechter immers nog geen oordeel over de schuld van verzoeker. Ditzelfde geldt voor het voorhouden van het strafblad van verzoeker.
Conclusie
5.7.
Gelet op het voorgaande kan niet worden geconcludeerd dat de rechter ten aanzien van verzoeker vooringenomen is of dat zijn vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarom is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek ongegrond moet worden verklaard.
6De beslissing
De rechtbank:
verklaart het verzoek tot wraking ongegrond;
bepaalt dat de behandeling van de zaak met parketnummer 02-235566-26 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens indiening van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven op 11 september 2026 door mr. Peters, mr. Broeders en mr. Ebben en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. Rockx, griffier en ondertekend door mr. Ebben. De beslissing wordt openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.