Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9441
2026-06-19
Civiel recht; Burgerlijk procesrecht
C/02/448691 HA RK 26-103 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wraking, kennelijk ongegrond, wrakingsverbod.
Citeert (1)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:4722 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 19-05-2026
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.717 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/448691 HA RK 26-103
beslissing van 19 juni 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
mr. [verzoeker],
verder ook te noemen verzoeker.
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/441063/ HA RK 25-240;
de processtukken zoals opgenomen in het wrakingsdossier met nummer C/02/447914 HA RK 26-89;
de beslissing op het wrakingsverzoek, gegeven op 19 mei 2026;
het wrakingsverzoek, ontvangen op 26 mei 2026;
het e-mailbericht van 1 juni 2026 van de gewraakte rechter waarin zij laat weten dat zij niet in het wrakingsverzoek berust.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hermans, hierna te noemen de rechter, in haar hoedanigheid als rechter die de zaak met nummer C/02/441063/ HA RK 25-240 behandelt.
2.2.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
3De gronden van het verzoek
Verzoeker voert aan dat hij nieuwe wrakingsgronden heeft ten opzichte van zijn eerdere wrakingsverzoek (zaaknummer C/02/447914 HA RK 26-89) waardoor de rechter volgens hem de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De wrakingsgrond is dat in de door de wrakingskamer genomen beslissing op 19 mei 2026 is vermeld dat de rechter verzoeker erop heeft gewezen dat hij zich fatsoenlijk moet gedragen in de zittingszaal en wat de consequenties zijn als hij zich daaraan niet houdt. Dit heeft bij verzoeker het vermoeden doen ontstaan dat de rechter de ongefundeerde mening heeft dat hij zich onfatsoenlijk heeft gedragen.
4De beoordeling
Beoordelingskader
4.1.
Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
4.4.
Op het eerdere door verzoeker gedane wrakingsverzoek is door de wrakingskamer al beslist. Dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de wrakingskamer maakt niet dat sprake is van een schijn van vooringenomenheid van de rechter.
4.5.
Verzoeker heeft verder aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze zijn erin gelegen dat de rechter hem verwijt dat hij onfatsoenlijk is geweest en dat dit zou volgen uit de door de rechter ingediende schriftelijke reactie op het eerste wrakingsverzoek. De wrakingskamer constateert dat dat niet juist is. In de beslissing van de wrakingskamer is enkel verwezen naar wat is vermeld in het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak. Bovendien heeft de rechter geen schriftelijke reactie gegeven op het vorige wrakingsverzoek. Zij heeft enkel kenbaar gemaakt niet in het wrakingsverzoek te berusten en haar verhinderdata doorgegeven in haar e-mailbericht van 7 mei 2026. De wrakingskamer concludeert daarom dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken die reden kunnen zijn om alsnog het herhaalde verzoek in behandeling te nemen.
4.6.
Dit leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond dient te worden verklaard en dat de wrakingskamer afziet van een mondelinge behandeling van het verzoek, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub a, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ga naar: rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
Wrakingsverbod
4.7.
Aangezien door verzoeker in korte tijd meerdere wrakingsverzoeken in deze zaak zijn gedaan (zie ECLI:NL:RBZWB:2026:4722 en de beslissing van de wrakingskamer van 19 juni 2026 met zaaknummer C/02/448599 HA RK 26-100) en door verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, stelt de wrakingskamer vast dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van het instrument tot wraking. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
5.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek tot wraking in het kader van de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven op 19 juni 2026 door mr. Peters, mr. Kool en
mr. Leppens, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. Rockx, griffier. Omdat de voorzitter is verhinderd om te tekenen, is deze beslissing ondertekend door mr. Leppens. De beslissing wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.
Wrakingskamer
Locatie Breda
zaaknummer C/02/448691 HA RK 26-103
beslissing van 19 juni 2026 inzake het wrakingsverzoek ex artikel 36 van het
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van:
mr. [verzoeker],
verder ook te noemen verzoeker.
1Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt onder meer uit:
de processtukken zoals opgenomen in het dossier van de rechtbank in de hoofdzaak met zaaknummer C/02/441063/ HA RK 25-240;
de processtukken zoals opgenomen in het wrakingsdossier met nummer C/02/447914 HA RK 26-89;
de beslissing op het wrakingsverzoek, gegeven op 19 mei 2026;
het wrakingsverzoek, ontvangen op 26 mei 2026;
het e-mailbericht van 1 juni 2026 van de gewraakte rechter waarin zij laat weten dat zij niet in het wrakingsverzoek berust.
2Het verzoek
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Hermans, hierna te noemen de rechter, in haar hoedanigheid als rechter die de zaak met nummer C/02/441063/ HA RK 25-240 behandelt.
2.2.
De rechter berust niet in het wrakingsverzoek.
3De gronden van het verzoek
Verzoeker voert aan dat hij nieuwe wrakingsgronden heeft ten opzichte van zijn eerdere wrakingsverzoek (zaaknummer C/02/447914 HA RK 26-89) waardoor de rechter volgens hem de schijn van vooringenomenheid heeft gewekt. De wrakingsgrond is dat in de door de wrakingskamer genomen beslissing op 19 mei 2026 is vermeld dat de rechter verzoeker erop heeft gewezen dat hij zich fatsoenlijk moet gedragen in de zittingszaal en wat de consequenties zijn als hij zich daaraan niet houdt. Dit heeft bij verzoeker het vermoeden doen ontstaan dat de rechter de ongefundeerde mening heeft dat hij zich onfatsoenlijk heeft gedragen.
4De beoordeling
Beoordelingskader
4.1.
Op grond van artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
4.2.
Voorop moet worden gesteld dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van een rechter als uitgangspunt geldt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn. Dit is slechts anders als zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een procespartij vooringenomen is, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is.
4.3.
De wrakingskamer moet daarom onderzoeken of de door verzoeker aangevoerde specifieke feiten en omstandigheden een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat de rechter jegens hem een vooringenomenheid koestert of dat de door verzoeker geuite vrees daarvoor – objectief – gerechtvaardigd is.
Beoordeling van de wrakingsgronden
4.4.
Op het eerdere door verzoeker gedane wrakingsverzoek is door de wrakingskamer al beslist. Dat verzoeker het niet eens is met de beslissing van de wrakingskamer maakt niet dat sprake is van een schijn van vooringenomenheid van de rechter.
4.5.
Verzoeker heeft verder aangevoerd dat sprake is van nieuwe feiten en omstandigheden. Deze zijn erin gelegen dat de rechter hem verwijt dat hij onfatsoenlijk is geweest en dat dit zou volgen uit de door de rechter ingediende schriftelijke reactie op het eerste wrakingsverzoek. De wrakingskamer constateert dat dat niet juist is. In de beslissing van de wrakingskamer is enkel verwezen naar wat is vermeld in het proces-verbaal van de zitting in de hoofdzaak. Bovendien heeft de rechter geen schriftelijke reactie gegeven op het vorige wrakingsverzoek. Zij heeft enkel kenbaar gemaakt niet in het wrakingsverzoek te berusten en haar verhinderdata doorgegeven in haar e-mailbericht van 7 mei 2026. De wrakingskamer concludeert daarom dat er geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn gebleken die reden kunnen zijn om alsnog het herhaalde verzoek in behandeling te nemen.
4.6.
Dit leidt tot de conclusie dat het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond dient te worden verklaard en dat de wrakingskamer afziet van een mondelinge behandeling van het verzoek, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4, tweede lid, sub a, van het Wrakingsprotocol van deze rechtbank (gepubliceerd op www.rechtspraak.nl, ga naar: rechtbank Zeeland-West-Brabant, regels en procedures, wrakingsprotocol).
Wrakingsverbod
4.7.
Aangezien door verzoeker in korte tijd meerdere wrakingsverzoeken in deze zaak zijn gedaan (zie ECLI:NL:RBZWB:2026:4722 en de beslissing van de wrakingskamer van 19 juni 2026 met zaaknummer C/02/448599 HA RK 26-100) en door verzoeker geen nieuwe feiten of omstandigheden zijn aangevoerd, stelt de wrakingskamer vast dat verzoeker misbruik heeft gemaakt van het instrument tot wraking. De wrakingskamer ziet daarom aanleiding met toepassing van artikel 39, vierde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering om te bepalen dat een volgend wrakingsverzoek van verzoeker in deze hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
5De beslissing
De rechtbank:
5.1.
verklaart het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond;
5.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek tot wraking in het kader van de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen.
Deze beslissing is gegeven op 19 juni 2026 door mr. Peters, mr. Kool en
mr. Leppens, en op dezelfde dag uitgesproken in tegenwoordigheid van
mr. Rockx, griffier. Omdat de voorzitter is verhinderd om te tekenen, is deze beslissing ondertekend door mr. Leppens. De beslissing wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Afschrift aangetekend verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.