Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:9192

2026-09-23 Civiel recht; Arbeidsrecht 11335185/CV EXPL 24-4953 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Arbeidsrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
11335185/CV EXPL 24-4953 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Eindvonnis. Werkneemster heeft tijdens haar werk een onverwachte klap tegen het hoofd gekregen van een psychiatrische bewoner binnen de zorginstelling van werkgever. Zorgplichtschending door werkgever en daardoor aansprakelijk.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (24.671 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Tilburg



Zaaknummer: 11335185 \ CV EXPL 24-4953




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van





[werknemer]
,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [werknemer] ,
gemachtigde: mr. A.J.K. Fluit,



tegen



1. [bewindvoerder] , IN HAAR HOEDANIGHEID ALS BEWINDVOERDER VAN [bewoner],
te [plaats 2] ,
hierna te noemen: de bewindvoerder of [bewoner] ,
gemachtigde: mr. G.Z.U. Viragh,2. STICHTING [werkgever],
te [plaats 3] ,
hierna te noemen: [werkgever] ,
gemachtigde: mr. M.J.J. de Ridder,
gedaagde partijen.






1De zaak in het kort


1.1.

[werknemer] is in dienst geweest van [werkgever] als activiteitenbegeleider. [bewoner] , één van de bewoners van de locatie waar [werknemer] werkte, heeft [werknemer] tijdens haar werk een klap tegen haar rechterslaap gegeven. In deze procedure staat de aansprakelijkheid voor de schade die [werknemer] als gevolg van deze klap lijdt centraal. [werknemer] houdt zowel [bewoner] (op grond van onrechtmatige daad) als [werkgever] (op grond van werkgeversaansprakelijkheid) aansprakelijk. [bewoner] en [werkgever] voeren verweer. [bewoner] betwist onrechtmatig te hebben gehandeld en [werkgever] voert aan haar zorgplicht te hebben nageleefd.



1.2.
De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 18 juni 2025 geoordeeld dat [bewoner] aansprakelijk is op grond van onrechtmatige daad en daarom verplicht is de schade van [werknemer] te vergoeden. Om vast te kunnen stellen of (ook) [werkgever] aansprakelijk is voor de schade van [werknemer] heeft de kantonrechter in het tussenvonnis geoordeeld dat nadere bewijslevering noodzakelijk is. [werkgever] heeft de opdracht gekregen om te bewijzen dat aan de zorgplicht is voldaan. In dat kader zijn getuigen gehoord en nadere stukken toegezonden.



1.3.
Dit is het eindvonnis. De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] niet in het bewijs is geslaagd. [werkgever] heeft haar zorgplicht geschonden en is gehouden de schade die [werknemer] als gevolg daarvan lijdt te vergoeden. De schade moet in een schadestaatprocedure worden vastgesteld.





2Het verloop van de procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:

 het tussenvonnis van 18 juni 2025 en de daarin genoemde processtukken,
 de akte van uitlating van [werkgever] van 13 augustus 2025,
 de akte overlegging productie van [werknemer] met productie 21,
 de akte van uitlating van [werkgever] met producties 1 tot en met 4,
 het proces-verbaal van het getuigenverhoor van 4 november 2025,
 het proces-verbaal van de voortzetting van het getuigenverhoor van 1 april 2026,
 de conclusie na enquête van [werknemer] ,
 de conclusie na enquête van [werkgever] ,
 de conclusie na enquête van [bewoner] .




2.2.
Vervolgens is bepaald dat er vonnis zal worden gewezen.





3De verdere beoordeling



De bewijsopdracht




3.1.
De kantonrechter heeft [werkgever] bij tussenvonnis van 18 juni 2025 (‘het tussenvonnis’) opgedragen om te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan. De kantonrechter heeft de bewijsopdracht in rechtsoverweging 6.1 van het tussenvonnis als volgt verwoord:



“draagt [werkgever] op te bewijzen dat zij aan haar zorgplicht heeft voldaan, meer specifiek door te bewijzen dat de onrust van [bewoner] op 18 oktober 2022 en/of de verplaatsing van de activiteitenbegeleiding naar de huiskamer van [bewoner] niet van invloed is/zijn geweest op zijn onverwachte gedrag op 19 oktober 2022 (het onverwacht uitdelen van de klap aan [werknemer] )”





Getuigenverhoren en nadere stukken





3.2.

[werkgever] heeft in het kader van de bewijsopdracht mevrouw [getuige 1] (‘ [getuige 2] ’, casemanager binnen senioren [bedrijf 1]) en [werknemer] als getuigen laten horen en vier aanvullende producties toegezonden. Het betreft de behandelovereenkomst met [bewoner] , het crisissignaleringsplan van 21 juli 2022, de dagrapportages over de relevante periode en een plattegrond van de betreffende afdeling. Alle stukken behalve de plattegrond waren niet eerder in de procedure beschikbaar voor [werkgever] .



3.3.


[getuige 2] is op 4 november 2025 als getuige gehoord. Zij heeft onder andere verklaard:

“Ik weet dat mevrouw [werknemer] door de heer [bewoner] op 19 oktober 2022 op haar hoofd geslagen is. Ik was daar zelf niet bij aanwezig op die afdeling. De heer [bewoner] heeft wel vaker last van onrust en dat word over het algemeen vooral veroorzaakt door obstipatie klachten. Meestal verdwijnen de onrust klachten als ook de obstipatie klachten zijn verholpen. Uit de rapportages weet ik dat de heer [bewoner] op 18 oktober 2022 onrustig was wegens genoemde obstipatie klachten maar die waren verholpen in de loop van de avond. (…)





Het is voor alle betrokkenen en dus ook voor de heer [bewoner] fijn als van tevoren bij hen bekend word als iets word gewijzigd, bijvoorbeeld de locatie, maar ik vraag me wel af of dat verschil zou maken op zijn reactie bij verplaatsing van de activiteit.





U houd mij voor dat mevrouw [werknemer] stelt dat zij had willen en moeten weten over de onrust van de heer [bewoner] op 18 oktober 2022 zodat zij daar rekening mee had kunnen houden, bijvoorbeeld door aan de andere kant van de tafel te blijven. Mijn reactie daarop is dat het niet veel had uitgemaakt, omdat de onrust al in de loop van 18 oktober was verdwenen door het oplossen van de obstipatie klachten. (…)”





3.4.

[werknemer] is op 1 april 2026 als getuige gehoord. Zij heeft onder andere verklaard:



“(…) Op 19 oktober 2022 kwam ik rond 8 uur/half 9 op het werk. Zoals gebruikelijk heb ik mijn computer geopend om te kijken of er bijzonderheden waren met de bewoners die tot de groep behoorden. Er waren geen bijzonderheden vermeld, ook niet m.b.t. de heer [bewoner] . Daarna ben ik naar gaan en heb ik de activiteiten voor die ochtend voorbereid.





De dag rapportages zoals die van 18 oktober 2022 kan ik dan raadplegen maar dat het op 19 oktober 2001 tenietgedaan. Het kost namelijk erg veel tijd om die dagrapportages te ‘downloaden’ omdat je steeds moet doorklikken naar de verschillende deelnemers (ongeveer 5) van de groep. Dat past niet in de voorbereidingstijd van ongeveer 30 minuten.





Ik ben op 19 oktober 2022 naar de verpleegkundige gegaan met de vraag of er nog bijzonderheden waren met betrekking tot de deelnemers van mijn groep en in het algemeen. Deze verpleegkundige was een invalkracht. Ik ken haar naam niet. Zij antwoordde mij: er zijn geen bijzonderheden.





De gang van zaken voorafgaand aan de groepsactiviteit, zoals ik hiervoor heb omschreven, is voor mij een vaste werkwijze. Het is een vaste instructie dat er contact wordt opgenomen met de verpleegkundige met de vraag of er nog bijzonderheden te melden zijn. Verder zijn er geen vaste instructies hoe te handelen voorafgaand aan de groepsactiviteit. Het gesprek met de verpleegkundige, zoals ik hiervoor heb beschreven, is de overdracht voor mij.





(…) Ik zou die dag, voor zover ik me herinner, een geheugentraining geven. Op 19 oktober 2022 vond de activiteit niet plaats in de kleine huiskamer, zoals gewoonlijk, maar in de grote huiskamer. Dat was vanwege een situatie met een andere bewoner. Deze wijziging werd 1 à 2 dagen daarvoor aan ons doorgegeven door de behandelaar van die betreffende bewoner. De heer [bewoner] kwam voorafgaand aan het voorval rustig op mij over. Hij zat rustig op zijn stoel; hij kwam rustig op mij over. (…)





(…) Als ik had geweten van de onrust de vorige avond en obstipatieklachten dan had ik hem anders benaderd.


Dan had ik hem bijvoorbeeld gevraagd; hoe gaat het? Als je deze vraag stelt dan merk je of de bewoner agressief is of dat er iets nog speelt of gespeeld heeft. Ik kan dan de behandelwijze aanpassen. En had ik hem de koffie zelf kunnen laten pakken in plaats van aanreiken. (…)”.





3.5.
Als productie 3 bij de akte van uitlating van [werkgever] is een verzameling dagrapportages die zijn opgesteld over [bewoner] in het geding gebracht. Daarin is onder meer opgenomen:



“16-10-2022, 17:41


Aanvang dienst was dhr in trefpuntDhr was goed gestemd en vriendelijk in contact, daarna sloeg het zonder aanleiding voor de maaltijd om en begon dhr te vloeken en te tieren, vrouw onvriendelijke uitlatingen, sloeg met het servies hard op de tafel. (…)





17-10-2022 13:29


Dhr is rustig aanwezig. (…) Og kreeg overgedragen dat dhr in het weekend meer agitatie liet zien. Goed observeren of dit vaker gaat gebeuren, indien dit vaker gebeurt ruimte in structuurprogramma weer aanpassen.





(…)


18-10-2022 13:12


Dhr is bij het opstaan al onrustig en gespannen. Gooit met handdoek, bonkt met servies en slaat met deuren. Dhr zn lorazepam 0,5 verstrekt. Dhr is hierna naar ab gegaan waar hij afleiding had in het schaken en de rust weer vond. Na de lunch is dhr weer geagiteerd omdat hij medicatie nog met innemen, bonkt met rollator. Met meneer de afspraak gemaakt dat hij om 13:30 naar trefpunt mag zodat spanning kan zakken. Dhr kreeg in de ochtend picoprep omdat hij al enkele dagen geen zichtbare ontlasting heeft gehad en gedragsverandering laat zien. Gedrag van dhr met behandelaar besproken, vanmiddag in team bespreken welk beleid we in gaan zetten.





18-10-2022 20:27


De heer is prima gestemd en vriendelijk in het contact. (…)”






[werkgever] heeft haar zorgplicht geschonden





3.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [werkgever] de op haar rustende zorgplicht heeft geschonden. Dit wordt als volgt toegelicht.



3.7.

[werknemer] heeft verklaard dat zij de als productie 3 bij akte van uitlating van [werkgever] ingebrachte dagrapportages wel kon raadplegen, maar dat zij dit op 19 oktober 2022 voorafgaand aan haar dienst niet heeft gedaan. Zij heeft daarvoor als verklaring gegeven dat het raadplegen niet binnen de voorbereidingstijd past omdat de rapportages per bewoner gedownload moeten worden. Dit is (te) tijdrovend. Ook heeft zij verklaard dat de overdracht volgens vaste instructie bestaat uit mondeling contact met de verpleegkundige of er nog bijzonderheden zijn. Verder zijn er geen vaste instructies hoe te handelen voorafgaand aan een groepsactiviteit, aldus [werknemer] .



3.8.

[werkgever] heeft deze stellingen in haar conclusie na enquête onbesproken gelaten. Daarmee staat als onweersproken vast dat het raadplegen van de dagrapportages niet past binnen de voorbereidingstijd voorafgaand aan een groepsactiviteit die [werknemer] had. Ook staat vast dat de overdracht volgens vaste instructie bestaat uit het mondeling raadplegen van de verpleegkundige en er geen instructie vanuit [werkgever] gegeven wordt om zelf de dagrapportages te raadplegen.



3.9.
Vast staat dat de verpleegkundige die [werknemer] in het kader van de overdracht voorafgaand aan de groepsactiviteit gesproken heeft op 19 oktober 2022 geen melding heeft gemaakt van onrust bij [bewoner] op de voorafgaande dag of dagen.



3.10.
Volgens [werkgever] hoefde dit ook niet, omdat de onrust bij [bewoner] van de dag ervoor in de avond alweer was opgelost. Uit de dagrapportage van 18 oktober 2022 om 20:27 uur blijkt dat [bewoner] rustig was. De onrust van die ochtend, zoals gerapporteerd om 13:12 uur, was weer voorbij. Dat is juist, dat blijkt inderdaad uit de dagrapportages. Echter, uit de dagrapportages blijkt ook dat het gedrag van [bewoner] niet alleen in de ochtend van 18 oktober 2022 onrustig en gespannen was, maar ook in de direct daaraan voorafgaande dagen aanleiding gaf tot zorg. Op 16 oktober 2022 was er sprake van het zonder aanleiding omslaan van het gedrag van [bewoner] , op 17 oktober 2022 wordt benoemd dat het gedrag van [bewoner] goed geobserveerd moet worden en op 18 oktober 2022 is het onrustige gedrag van [bewoner] aanleiding om die middag in het team te gaan bespreken welk beleid moet worden ingezet. Dat [bewoner] op de avond van 18 oktober 2022 rustig was, houdt gelet op het geschetste gedragspatroon van [bewoner] geen enkele garantie in dat hij ook rustig blijft.



3.11.
De kantonrechter is van oordeel dat als [werknemer] van dit gedragspatroon in de dagen voorafgaand aan haar dienst op de hoogte was geweest, zij anders had kunnen handelen in haar contact met [bewoner] . [werknemer] heeft dit zelf ook concreet aangevoerd, door aan te geven dat zij [bewoner] dan zelf zijn koffie zou hebben laten pakken, aan de andere kant van de tafel zou zijn gebleven en door vraagstelling de gemoedstoestand van [bewoner] zou kunnen hebben peilen. Ook in geval van een onverwachte en plotselinge klap – waar in deze zaak onbetwist sprake van is – zou [werknemer] acties hebben kunnen inzetten om te voorkomen dat zij geraakt zou kunnen worden door [bewoner] , waardoor daadwerkelijke schade door de klap voorkomen of verminderd had kunnen worden.



3.12.
Doordat [werknemer] niet op de hoogte was van het voornoemde gedragspatroon voorafgaand aan haar dienst, heeft zij niet of onvoldoende kunnen anticiperen op het feit dat [bewoner] ook tijdens haar activiteit zou kunnen omslaan in gedrag. Op dit punt heeft [werkgever] de op haar rustende zorgplicht geschonden. [werkgever] had er voor moeten zorgen dat [werknemer] voorafgaand aan haar dienst de beschikking kreeg over de relevante informatie omtrent het gedrag van [bewoner] in de dagen voorafgaand aan haar dienst. [werkgever] had dit kunnen doen door te waarborgen dat de mondelinge overdracht door de verpleegkundige volledig was. [werkgever] had dit ook kunnen doen door mogelijk te maken dat [werknemer] in haar voorbereidingstijd daadwerkelijk (qua tijd en middelen) kennis kon nemen van de inhoud van de dagrapportages van de bewoners waarmee zij zou gaan werken en ook de instructie te geven dat kennisname een verplicht onderdeel van de werkvoorbereiding is.



3.13.
De aanleiding voor het agressieve gedrag van [bewoner] richting [werknemer] op 19 oktober 2022 blijft onbekend. Niet duidelijk is geworden of de wijziging van de ruimte waarin de activiteit door [werknemer] zou worden begeleid van invloed is geweest op het gedrag van [bewoner] . [werknemer] is over de locatiewijziging geïnformeerd voorafgaand aan haar dienst. Zij was daar dus terecht door [werkgever] van op de hoogte gebracht. Niet ondenkbaar is dat de wijziging van locatie een rol heeft gespeeld in de omslag van het gedrag van [bewoner] (gelet op zijn psychische problematiek), in welk geval het eens te meer reden had moeten zijn voor [werkgever] om te zorgen dat [werknemer] kennis kon nemen van de informatie over het recente gedrag van [bewoner] . Ook als de locatiewijziging echter geen enkele invloed zou hebben gehad op het gedrag van [bewoner] , komt de kantonrechter zoals in de voorgaande alinea gemotiveerd tot een zorgplichtschending door [werkgever] .



3.14.
Dit betekent dat [werkgever] op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade die [werknemer] als gevolg van de klap door [bewoner] op 19 oktober 2022 lijdt. De gevorderde verklaring voor recht is toewijsbaar. In het tussenvonnis is al geoordeeld dat ook [bewoner] aansprakelijk is voor de schade van [werknemer] (op grond van onrechtmatige daad). [werkgever] wordt naast [bewoner] hoofdelijk veroordeeld om de schade van [werknemer] te vergoeden, zoals gevorderd nader op te maken bij staat.



3.15.

[werkgever] voert aan dat de gezondheidsklachten die [werknemer] in de procedure heeft benoemd niet passen bij de gevolgen van een klap. [werkgever] betwist de toerekenbaarheid van de schade van [werknemer] aan de klap. Net als het beroep op eigen schuld en matiging van de schadevordering van [werknemer] (aangevoerd door [bewoner] ) is ook dit een onderwerp dat in de schadestaatprocedure aan de orde moet komen. [werknemer] heeft in het kader van de in deze procedure ingestelde vorderingen naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat de klap tot (enige) schade bij [werknemer] heeft geleid. De drempel voor toegang tot de schadestaatprocedure wordt dus gehaald. [werknemer] heeft gesteld dat haar schade naar verwachting onder een bedrag van € 25.000,00 blijft. Bij gebrek aan voldoende aanknopingspunten is de schade niet in deze procedure te begroten door de kantonrechter.



Buitengerechtelijke incassokosten





3.16.

[werknemer] heeft een hoofdelijke veroordeling van [bewoner] en [werkgever] in de buitengerechtelijke incassokosten van € 17.132,09 gevorderd. De buitengerechtelijke incassokosten bestaan uit een bedrag van € 11.160,74 gemaakt door [bedrijf 2] en € 5.971,35 gemaakt door de advocaat van [werknemer] .



3.17.
Zowel [bewoner] als [werkgever] voeren verweer. De verweren komen er samengevat op neer dat aangevoerd wordt dat de kosten (in ieder geval deels) niet als buitengerechtelijk kunnen worden aangemerkt en onder een gebruikelijke proceskostenveroordeling vallen, de tijdsbesteding buitenproportioneel is en het gehanteerde uurtarief te hoog is. In reactie hierop heeft [werknemer] tijdens de mondelinge behandeling aangevoerd dat voor zover er in de opgevoerde kostenposten werkzaamheden zitten die vallen onder een proceskostenveroordeling, het niet de bedoeling is de kosten dubbelop vergoed te krijgen. Zij erkent in dat geval dat de kosten tot een proceskostenveroordeling behoren. Voor wat betreft de hoogte van de kosten en de redelijkheid van de genoteerde tijd merkt [werknemer] op dat het gebrek aan een voldoende constructieve houding van de bewindvoerder van [bewoner] en [werkgever] heeft geleid tot een hogere tijdsbesteding.



3.18.
De kantonrechter oordeelt als volgt. Uit de als productie 20 bij dagvaarding ingebrachte specificatie van de werkzaamheden die de advocaat van [werknemer] heeft verricht, blijkt dat deze allen verband houden met het opstellen van de dagvaarding. Deze kosten (€ 5.971,35) komen dus niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking, want deze vallen onder de gebruikelijke proceskostenveroordeling.


3.19.
Wat betreft de door [bedrijf 2] gemaakte kosten geldt dat vergoeding aan de orde is als de kosten de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 BW doorstaan. Die toets houdt in dat de kosten in redelijkheid moeten zijn gemaakt en dat de hoogte van de kosten redelijk is. De kantonrechter is van oordeel dat het uurtarief niet onredelijk is. Gelet op de omvang van het buitengerechtelijke traject en de beperkte complexiteit van de zaak acht de kantonrechter een bedrag van € 8.000,00 redelijk.



3.20.
De veroordeling wordt hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen aan de wederpartij.



Proceskosten





3.21.

[bewoner] en [werkgever] worden als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van [werknemer] . De proceskosten worden aan de kant van [werknemer] begroot op:









- kosten van de dagvaarding


€


136,72







- griffierecht


€


706,00







- salaris gemachtigde


€


1.296,00


(3 punten × € 432,00)




- nakosten


€


144,00


(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)




Totaal


€


2.282,72











3.22.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten worden toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





4De beslissing


De kantonrechter




Ten aanzien van [bewoner] :




4.1.
verklaart voor recht dat [bewoner] op grond van artikel 6:162 BW jo. artikel 6:165 BW een onrechtmatige daad heeft gepleegd jegens [werknemer] door haar op 19 oktober 2022 een klap te geven en aansprakelijk is voor de door [werknemer] als gevolg daarvan geleden schade,



Ten aanzien van [werkgever] :





4.2.
verklaart voor recht dat [werkgever] als werkgever op grond van artikel 7:658 BW aansprakelijk is voor de schade van [werknemer] als gevolg van het ongeval tijdens haar werkzaamheden op 19 oktober 2022,



Ten aanzien van [bewoner] en [werkgever] :





4.3.
veroordeelt [bewoner] en [werkgever] hoofdelijk om alle door [werknemer] geleden materiële en immateriële schade die zij heeft geleden en nog zal lijden als gevolg van het ongeval op 19 oktober 2022 te vergoeden, welke schade nader moet worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet,



4.4.
veroordeelt [bewoner] en [werkgever] hoofdelijk tot betaling aan [werknemer] van de buitengerechtelijke incassokosten van een bedrag van € 8.000,00,



4.5.
veroordeelt [bewoner] en [werkgever] hoofdelijk in de proceskosten van € 2.282,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagden niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,



4.6.
veroordeelt [bewoner] en [werkgever] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



4.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



4.8.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. Zander en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.