Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:9183

2026-09-23 Civiel recht; Verbintenissenrecht 12042930 \ CV EXPL 26-68 (E)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-23
Publicatiedatum
2026-09-23
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
12042930 \ CV EXPL 26-68 (E)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Koop van een hond; consumentenkoop; non-conformiteit (artikel 7:18a lid 2 BW); de hond voldeed niet aan de overeenkomst en de verkoper moet de koopprijs en schadevergoeding betalen aan de koper.

Citeert (0)

  • geen

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (28.383 tekens)
RECHTBANK
ZEELAND-WEST-BRABANT



Civiel recht
Kantonrechter



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: 12042930 \ CV EXPL 26-68




Vonnis van 23 september 2026




in de zaak van





[eisende partij]
,
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. F.W.M. Groot,



tegen





[gedaagde partij]
,
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. C. van der Ent.




De zaak in het kort




Deze zaak gaat over pup [de pup] . [eisende partij] heeft [de pup] op 5 juli 2024 gekocht van [gedaagde partij] voor € 2.000,00. Nadat [de pup] in het najaar van 2024 medische klachten kreeg, hebben dierenartsen [de pup] onderzocht en behandeld. Uiteindelijk is [de pup] op 5 december 2025 ingeslapen. [eisende partij] stelt dat [de pup] niet voldeed aan de overeenkomst. [eisende partij] vordert de koopprijs terug en vordert schadevergoeding voor kosten die zij heeft gemaakt. [gedaagde partij] betwist dat [de pup] niet voldeed aan de overeenkomst en vindt dat de vorderingen van [eisende partij] moeten worden afgewezen. De kantonrechter is van oordeel dat [de pup] niet voldeed aan de overeenkomst. [gedaagde partij] moet daarom de koopprijs en een gedeelte van de gevorderde schadevergoeding aan [eisende partij] betalen. Ook moet [gedaagde partij] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente betalen. Hieronder legt de kantonrechter dit oordeel uit.





1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 30 december 2025 met producties;


de conclusie van antwoord van 4 maart 2026 met producties;


de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;


de akte inbreng nadere productie van [eisende partij] van 29 juli 2026;


de mondelinge behandeling van 30 juli 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.




1.2.
Daarna is een datum bepaald waarop dit vonnis wordt uitgesproken.





2De feiten


2.1.
Op 13 april 2024 is een nestje van dertien pups van het ras American Bully XXL geboren bij [gedaagde partij] . [gedaagde partij] heeft de pups in juni 2024 te koop aangeboden. Dat deed [gedaagde partij] op Marktplaats onder de naam [naam] (of afgekort [naam] ) en op Facebook onder zijn eigen naam [gedaagde partij] ).



2.2.

[eisende partij] heeft een pup uit het nestje van [gedaagde partij] gekocht op 5 juli 2024. [eisende partij] heeft de pup [de pup] genoemd. De koopprijs van [de pup] was oorspronkelijk € 2.500,00. Omdat [eisende partij] de kosten voor inentingen, ontwormingskuren en het opvragen van een stamboom voor eigen rekening nam, kreeg zij € 500,00 korting op de koopprijs. [eisende partij] heeft € 2.000,00 voor [de pup] betaald aan [gedaagde partij] .



2.3.

[eisende partij] heeft een verzekering voor [de pup] afgesloten bij OHRA.



2.4.
Vanaf september 2024 constateerde [eisende partij] medische problemen bij [de pup] , waaronder trillingen in de voorpoten.



2.5.

[eisende partij] en [gedaagde partij] hebben naar aanleiding van de bij [de pup] geconstateerde medische problemen contact gehad met elkaar. Zo ook via Whatsapp op 19 december 2024, tijdens welk gesprek [gedaagde partij] ook aan [eisende partij] heeft geschreven dat hij aan de verkoop van de pups € 40.000 heeft verdiend.



2.6.
Op 20 december 2024 heeft [eisende partij] in verband met toenemende mankheidsklachten [de pup] laten onderzoeken door dierenarts drs. [dierenarts 1] , werkzaam bij [dierenkliniek 1] . [dierenarts 1] heeft na volledig orthopedisch onderzoek geconcludeerd dat [de pup] (onder andere) een afwijking (patella luxatie) had aan beide knieën, meer specifiek aan de knieschijven. Zij heeft gerapporteerd dat het gaat om een aangeboren afwijking, omdat deze aandoening al op jonge leeftijd (11 maanden) werd geconstateerd. Dat de aandoening aan beide knieën aanwezig was, benadrukte volgens [dierenarts 1] extra dat het ging om een genetisch aangeboren afwijking en niet om een verworven afwijking.



2.7.
Op advies van [dierenarts 1] is [de pup] op 10 februari 2025 geopereerd aan de rechterknie. Later zijn nog hersteloperaties uitgevoerd. [de pup] heeft onder andere fysiotherapie gehad om te revalideren van de operaties.



2.8.
Op 2 mei 2025 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] aangeschreven en verzocht om tot vergoeding van de tot op dat moment door haar geleden schade en de op dat moment voorzienbare schade over te gaan: een totaalbedrag van € 8.067,43. Als [gedaagde partij] [eisende partij] dit bedrag binnen vijftien dagen nadat hij de brief ontving aan [eisende partij] zou betalen, zou [eisende partij] [gedaagde partij] finale kwijting verlenen.



2.9.
Op 8 mei 2025 heeft [eisende partij] [gedaagde partij] opnieuw aangeschreven, naar aanleiding van een telefoongesprek op 7 mei 2025. [eisende partij] heeft haar vordering op [gedaagde partij] gehandhaafd en verzocht om betaling van de kosten die zij tot op dat moment had gemaakt: een bedrag van € 1.772,56. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] medegedeeld dat haar voorstel tegen finale kwijting was komen te vervallen.



2.10.

[gedaagde partij] heeft geen bedrag betaald aan [eisende partij] .



2.11.
Op 4 juni 2025 heeft dierenarts drs. [dierenarts 2] , werkzaam bij [dierenkliniek 2] , [de pup] onderzocht. [dierenarts 2] heeft onder andere geconcludeerd dat sprake was van congenitale patella luxatie links.



2.12.
Doordat [de pup] nog meer klachten kreeg en veel pijn had, heeft [eisende partij] [de pup] op 5 december 2025 laten inslapen.





3Het geschil


3.1.

[eisende partij] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde partij] tot betaling van € 6.548,49, vermeerderd met rente en kosten. [eisende partij] stelt daartoe dat [gedaagde partij] beroepsmatig handelde en dat sprake was van een consumentenkoop. Verder stelt [eisende partij] dat [de pup] bij aflevering niet voldeed aan de overeenkomst. Omdat [de pup] niet voldeed aan de overeenkomst, wil [eisende partij] dat [gedaagde partij] haar de koopprijs van [de pup] terugbetaalt. Verder wil [eisende partij] dat [gedaagde partij] haar een schadevergoeding betaalt voor (een gedeelte van) de kosten die de verzekering niet vergoed heeft. Daarnaast vordert [eisende partij] een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en de wettelijke rente.



3.2.

[gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eisende partij] , met veroordeling van [eisende partij] in de kosten van deze procedure. [gedaagde partij] betwist dat hij beroepsmatig handelde en dat sprake was van een consumentenkoop. Volgens [gedaagde partij] voldeed [de pup] wel aan de overeenkomst. [gedaagde partij] wil [eisende partij] de koopprijs niet terugbetalen. Daarnaast wil hij haar geen schadevergoeding betalen. Omdat [gedaagde partij] van mening is dat de vorderingen afgewezen moeten worden, vindt hij dat ook de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten en wettelijke rente moeten worden afgewezen.



3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.





4De beoordeling


4.1.
De kantonrechter stelt in zijn beoordeling voorop dat dieren op grond van de wet gelijkgesteld worden met een zaak, op grond van artikel 3:2a lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW). Dit betekent dat wetsbepalingen die normaal gesproken over zaken gaan, ook op [de pup] van toepassing zijn.




[gedaagde partij] fokte beroepsmatig en er was sprake van een consumentenkoop





4.2.
Partijen verschillen van mening over de vraag of de koopovereenkomst als een consumentenkoop zoals bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW moet worden gezien. In dit artikel wordt een consumentenkoop gedefinieerd als de koop met betrekking tot een roerende zaak die wordt gesloten door een verkoper die handelt in het kader van zijn beroep of bedrijf en een koper, natuurlijk persoon, die niet handelt in de uitoefening van beroep of bedrijf. De stelplicht en bewijslast dat sprake is van een consumentenkoop rust op degene die zich op de bescherming van de bepalingen inzake consumentenkoop beroept, op grond van de hoofdregel uit artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv). In deze zaak is dat [eisende partij] : zij stelt namelijk dat sprake is van een consumentenkoop en roept de bescherming van de daarbij behorende bepalingen in.



4.3.
Partijen zijn niet verdeeld over de vraag of [eisende partij] , als koper, als consument handelde. Wel zijn zij verdeeld over de vraag of [gedaagde partij] , als verkoper, handelde in het kader van zijn beroep of bedrijf. Bij de beoordeling van de vraag of bij het verkopen van een pup door een fokker sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig fokken zijn alle omstandigheden van het geval van belang. Eén van die omstandigheden is de omvang van de fokactiviteiten.



4.4.
In deze zaak heeft [eisende partij] gesteld en onderbouwd dat sprake is van een consumentenkoop, omdat [gedaagde partij] handelde in het kader van zijn beroep of bedrijf. Zij heeft aangevoerd dat [gedaagde partij] handelde onder de naam [naam] ( [naam] ) en dat hij onder die naam meerdere nestjes pups heeft verkocht (in totaal 23 pups). Verder heeft [eisende partij] aangevoerd dat [gedaagde partij] zelf tegen haar heeft gezegd dat hij € 40.000,00 heeft verdiend met het verkopen van de pups. [eisende partij] heeft indicatoren van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO) overgelegd, aan de hand waarvan beoordeeld kan worden of iemand wel of geen beroepsmatig fokker is. [eisende partij] heeft aangevoerd dat [gedaagde partij] pups heeft gefokt voor anderen dan voor hemzelf, vrienden of familie. Daarnaast heeft [gedaagde partij] de pups verkocht, heeft hij geadverteerd met de nestjes op Facebook en Marktplaats en heeft hij er geld mee verdiend. Verder heeft [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling, waarbij [gedaagde partij] zelf zonder (geldige) reden niet aanwezig was, toegelicht dat [gedaagde partij] de moederhond van [de pup] heeft verkocht en een pup uit het nestje van [de pup] heeft gehouden voor toekomstige fokactiviteiten. Uit al deze omstandigheden moet volgens [eisende partij] de conclusie volgen dat [gedaagde partij] beroepsmatig fokte.



4.5.

[gedaagde partij] heeft betwist dat hij beroepsmatig fokte. Hij heeft aangevoerd dat hij tijdelijk geen inkomen had uit zijn eigen onderneming. Om het tijdelijke inkomensverlies op te vangen, heeft hij de keuze gemaakt om met zijn eigen hond (de moederhond van [de pup] ) een nestje te fokken. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat hij één nestje heeft gefokt. Het andere nestje waarvoor hij geadverteerd heeft, was een nestje van een vriend van hem. Voor dat nestje adverteerde hij alleen. [gedaagde partij] voert aan dat hij incidenteel fokte en dat het nestje waaruit [de pup] kwam een uitzonderlijk groot nestje in aantal pups was.



4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] beroepsmatig fokte. Vast is komen te staan dat [gedaagde partij] is gaan fokken om een inkomensverlies uit eigen onderneming op te vangen. [gedaagde partij] heeft daarnaast zelf aan [eisende partij] medegedeeld dat hij € 40.000,00 met de verkoop van de pups heeft verdiend. Uitgaande van een verkoopprijs van +/- € 2.500,00 per pup (de oorspronkelijke koopprijs van [de pup] ), heeft [gedaagde partij] meer pups dan alleen het nestje van [de pup] verkocht. [gedaagde partij] heeft de stelling van [eisende partij] dat hij meerdere nestjes heeft gefokt onvoldoende gemotiveerd betwist. Hij heeft weliswaar aangevoerd dat het tweede nestje dat op naam van [naam] werd geadverteerd en verkocht van een vriend was, maar hij heeft dit niet onderbouwd.



4.7.
De stelling van [gedaagde partij] dat hij slechts tijdelijk – en dus niet langdurig – pups fokte en dat het tijdelijke karakter maakt dat hij niet beroepsmatig fokte, volgt de kantonrechter niet. Immers, afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan ook het tijdelijk uitoefenen van fokactiviteiten beroepsmatig zijn. [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat [gedaagde partij] beroepsmatig fokte.


4.8.

[gedaagde partij] heeft onvoldoende weersproken dat dat zo was. De kans om de (nadere) stellingen van [eisende partij] tijdens de mondelinge behandeling (aanvullend) te weerspreken heeft [gedaagde partij] zonder (geldige) reden ongebruikt gelaten. Gelet op de door [eisende partij] aangevoerde omstandigheden in samenhang bezien is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde partij] beroepsmatig fokte. Dat betekent dat [gedaagde partij] handelde in de uitoefening van beroep of bedrijf. Daarmee is sprake van een consumentenkoop zoals bedoeld in artikel 7:5 lid 1 BW.




[de pup] voldeed niet aan de overeenkomst





4.9.
De volgende vraag die voorligt aan de kantonrechter is of [de pup] voldeed aan de overeenkomst of niet. Uit artikel 7:18a lid 2 BW volgt dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat een zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde, als de afwijking zich binnen een jaar na aflevering openbaart. Dat vermoeden kan de verkoper weerleggen door het tegendeel te bewijzen. Omdat [eisende partij] het rechtsgevolg inroept (namelijk: betaling van een bedrag), moet [eisende partij] stellen en onderbouwen dat zich binnen een jaar na aflevering een afwijking aan [de pup] heeft geopenbaard. Als [eisende partij] daarin slaagt, wordt vermoed dat [de pup] bij de aflevering niet aan de overeenkomst voldeed. Dat vermoeden wordt niet aangenomen, als [gedaagde partij] bewijst dat [de pup] wél voldeed op het moment dat hij geleverd werd. Met andere woorden: [gedaagde partij] moet bewijzen dat [de pup] geen aangeboren of erfelijke aandoeningen had.



4.10.

[eisende partij] heeft gesteld dat [de pup] niet voldeed op het moment dat hij geleverd werd, omdat hij erfelijke dan wel aangeboren aandoeningen had. Deze aandoeningen werden zichtbaar binnen een jaar na de aflevering. [eisende partij] heeft ter onderbouwing van haar stelling rapportages van dierenartsen overgelegd. Zowel dierenarts [dierenarts 1] van [dierenkliniek 1] als dierenarts [dierenarts 2] van [dierenkliniek 2] hebben gerapporteerd dat [de pup] aangeboren dan wel erfelijke aandoeningen had. Beide dierenartsen hebben de diagnose patella luxatie gesteld. Ook hebben beide dierenartsen beschreven dat het in ieder geval ging om een aangeboren (congenitale) aandoening. [eisende partij] heeft gesteld dat [de pup] door de aangeboren aandoening niet voldeed aan de overeenkomst, omdat zij mocht verwachten dat zij een gezonde pup had gekocht die geschikt was voor normaal gebruik als gezelschapsdier. Door de aangeboren aandoening was [de pup] dat niet volgens [eisende partij] .



4.11.

[gedaagde partij] heeft betwist dat [de pup] erfelijke dan wel aangeboren aandoeningen had. Volgens [gedaagde partij] functioneerde [de pup] bij aflevering als normale pup. Zo was [de pup] op dat moment speels, mobiel en niet kreupel. Daarnaast waren er volgens [gedaagde partij] geen aanwijzingen voor al bestaande orthopedische afwijkingen die het normaal gebruik als gezelschapsdier onmogelijk maakten. [gedaagde partij] heeft aangevoerd dat de vaderhond van [de pup] voorafgaand aan de dekking was onderzocht op genetische aandoeningen en dat uit dat onderzoek geen afwijkingen naar voren zijn gekomen. Ook heeft [gedaagde partij] aangegeven de moederhond van [de pup] (alsnog) te laten onderzoeken.



4.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [eisende partij] heeft voldaan aan de stelplicht en met de overgelegde rapportages van dierenartsen voldoende heeft onderbouwd dat [de pup] een aangeboren dan wel erfelijke aandoening had. Door de aandoening die [de pup] had, voldeed hij naar het oordeel van de kantonrechter bij aflevering niet aan de overeenkomst. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde partij] in het geheel onvoldoende heeft aangevoerd om het vermoeden dat [de pup] niet voldeed tijdens de aflevering te weerleggen. [gedaagde partij] heeft op de stellingen van [eisende partij] gereageerd en heeft betwist dat [de pup] niet voldeed bij aflevering. Daarmee heeft [gedaagde partij] echter nog niet voldaan aan de op hem rustende bewijslast. Het was aan [gedaagde partij] om te bewijzen dat [de pup] wél voldeed bij aflevering. [gedaagde partij] heeft zijn stellingen op dit punt op geen enkele wijze onderbouwd. Zo heeft [gedaagde partij] weliswaar aangevoerd dat de vaderhond van [de pup] voorafgaand aan de dekking was onderzocht op genetische aandoeningen, maar dit heeft [gedaagde partij] niet onderbouwd. Dat geldt ook voor zijn stelling dat er op het moment van aflevering geen aanwijzingen bestonden voor reeds bestaande orthopedische afwijkingen. Omdat [gedaagde partij] zijn stellingen niet heeft onderbouwd, is bewijslevering op dit punt ook niet aan de orde.



4.13.
Samenvattend betekent dit alles dat de kantonrechter van oordeel is dat [de pup] niet voldeed aan de overeenkomst. [de pup] had een aangeboren aandoening op het moment dat hij werd afgeleverd. Dat is vast komen te staan aan de hand van de door [eisende partij] overgelegde medische informatie. [de pup] had patella luxatie. Dit is, zo is niet weersproken, een aangeboren aandoening aan de knieën, meer specifiek de knieschijven. Of deze aandoening ook erfelijk was, is naar het oordeel van de kantonrechter niet belangrijk voor zijn oordeel over de non-conformiteit. De geconstateerde aangeboren patella luxatie is daarvoor al voldoende.




[gedaagde partij] moet aan [eisende partij] een bedrag betalen





Koopprijs





4.14.
Omdat [de pup] niet voldeed aan de overeenkomst en er sprake is van een consumentenkoop, heeft [eisende partij] op grond van artikel 7:22 lid 1 aanhef en onder b BW de bevoegdheid de (koop)prijs te verminderen in evenredigheid met de mate van afwijking van de overeengekomen koopprijs, zoals zij primair heeft gevorderd. [eisende partij] heeft gesteld dat de koopprijs van [de pup] verminderd moet worden tot nihil. [gedaagde partij] heeft betwist dat de mate van afwijking rechtvaardigt dat de koopprijs tot nihil wordt verminderd.



4.15.
De kantonrechter is van oordeel dat een vermindering van de koopprijs tot nihil in dit geval evenredig is met de mate van afwijking. Hoewel [de pup] anderhalf jaar heeft geleefd en in die tijd ongetwijfeld [eisende partij] ook blijdschap en plezier heeft bezorgd als huisdier, heeft [eisende partij] voornamelijk zorgen, verdriet en kosten gehad vanwege de aandoening(en) van [de pup] . Daarbij is ook van belang dat de medische problemen van [de pup] al (relatief) snel na het moment van aflevering begonnen, namelijk een paar maanden daarna. [eisende partij] heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij financiële zorgen had door de medische problemen van [de pup] , dat zij in onzekerheid verkeerde over de uitkomst van de behandelingen en dat [de pup] extra veel verzorging nodig. [gedaagde partij] heeft dit niet weersproken. Daarnaast heeft [gedaagde partij] geen objectieve aanknopingspunten aangevoerd om de koopprijs op een andere wijze evenredig met de mate van afwijking te verminderen. Dit betekent concreet dat de koopprijs van [de pup] wordt verminderd tot nihil (€ 0,00), waardoor [gedaagde partij] aan [eisende partij] € 2.000,00 moet betalen.



Schadevergoeding





4.16.
Omdat [de pup] niet beantwoordde aan de overeenkomst, is er sprake van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde partij] . [eisende partij] vordert betaling van een schadevergoeding van € 4.548,59. [eisende partij] heeft haar vordering onderbouwd met facturen en een overzicht van de kosten die zij heeft gemaakt. In het overzicht heeft [eisende partij] ook een onderscheid gemaakt tussen kosten die de OHRA als verzekeraar heeft vergoed en kosten die zij zelf heeft moeten betalen. [eisende partij] vordert (alleen) de kosten die zij zelf heeft moeten betalen en die, zo heeft zij tijdens de mondelinge behandeling toegelicht, te koppelen zijn aan de aangeboren aandoening waardoor [de pup] niet voldeed aan de overeenkomst. [gedaagde partij] heeft de omvang van de schade en het causaal verband tussen een aantal opgevoerde schadeposten en de tekortkoming betwist.



4.17.
Omdat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door [gedaagde partij] , is [gedaagde partij] verplicht de schade die het gevolg is van die tekortkoming aan [eisende partij] te vergoeden op grond van artikel 6:74 BW. De kantonrechter is van oordeel dat een gedeelte van de gevorderde schadevergoeding toewijsbaar is. [eisende partij] heeft deze schadeposten gesteld en voldoende onderbouwd met facturen. Daarnaast is er sprake van een causaal verband tussen de schadeposten en de tekortkoming. Dat geldt in het bijzonder ook voor de bench en de voedingssupplementen die [eisende partij] voor [de pup] heeft aangeschaft, waarvan [gedaagde partij] het causaal verband met de tekortkoming heeft betwist. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] toegelicht dat [de pup] benchrust moest houden na de operatie en dat zij daarvoor een (extra stevige) nieuwe bench voor [de pup] heeft moeten kopen. Het causaal verband tussen de tekortkoming en de aangeschafte voedingssupplementen blijkt uit de nader overgelegde productie van [eisende partij] . In totaal wijst de kantonrechter een bedrag van € 3.112,50 aan schadevergoeding toe. Dit bedrag omvat alle opgevoerde schadeposten, behalve de posten die de kantonrechter hierna benoemt.



4.18.
De kantonrechter wijst namelijk een gedeelte van de gevorderde schadevergoeding af. Het gedeelte dat de kantonrechter afwijst bestaat uit de door [eisende partij] betaalde premie voor de verzekering van [de pup] en de kosten die [eisende partij] heeft gemaakt voor de inentingen, ontwormingskuren en stamboom. Dit zijn kosten die [eisende partij] ook had moeten betalen als [de pup] wel had voldaan aan de overeenkomst. Dit betekent dat er geen sprake is van een causaal verband tussen de gemaakte kosten en de tekortkoming. Omdat een causaal verband ontbreekt, is er geen grondslag om vergoeding van deze kosten toe te wijzen.



Buitengerechtelijke incassokosten





4.19.

[eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eisende partij] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eisende partij] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [eisende partij] heeft een bedrag van € 702,42 gevorderd. Omdat de kantonrechter een lager bedrag toewijst dan is gevorderd, wijst hij ook een lagere vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten toe. De kantonrechter wijst daarom een bedrag van € 630,63 toe.



Wettelijke rente





4.20.
De wettelijke rente uit artikel 6:119 BW wordt berekend over het toegewezen bedrag over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. [eisende partij] vordert de wettelijke rente over het gevorderde bedrag met ingang van 2 mei 2025. De kantonrechter wijst de wettelijke rente over de koopprijs en over de kosten die [eisende partij] heeft gemaakt tot en met 2 mei 2025 toe vanaf 18 mei 2025. De reden daarvoor is dat [gedaagde partij] niet op 2 mei 2025 in verzuim is geraakt, maar pas na het verstrijken van de in de brief van 2 mei 2025 geboden termijn. Dat is vanaf 18 mei 2025. Over de kosten die [eisende partij] nog niet had gemaakt tot en met 2 mei 2025, wijst de kantonrechter de wettelijke rente toe vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen.



Proceskosten





4.21.

[gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat [eisende partij] heeft geprocedeerd op basis van een toevoeging, veroordeelt de kantonrechter [gedaagde partij] niet tot betaling van de explootkosten en betekeningskosten.


De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:










- griffierecht


€


93,00







- salaris gemachtigde


€


720,00


(2 punten × € 360,00)




- nakosten


€


144,00







Totaal


€


957,00













5De beslissing


De kantonrechter



5.1.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 5.112,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over:



een bedrag van € 3.772,56 (aan koopprijs en kosten gemaakt tot en met 2 mei 2025), met ingang van 18 mei 2025,


een bedrag van € 1.339,94 (aan kosten gemaakt na 2 mei 2025), vanaf de respectievelijke vervaldata van de onderliggende facturen,


telkens tot de dag van volledige betaling,



5.2.
veroordeelt [gedaagde partij] om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 630,63 aan buitengerechtelijke kosten,



5.3.
veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 957,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,



5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,



5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. drs. Paijmans en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.