Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9178
Inhoudsindicatie
De feiten op grond waarvan de rechter volgens verzoekster blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, althans de schijn daarvan heeft gewekt, hebben zich ter zitting van 8 september 2026 voorgedaan. Dat betekent dat verzoekster in beginsel ter zitting tot wraking van de rechter had kunnen overgaan. Het wrakingsverzoek is echter vijf dagen later ingediend. Er zijn omstandigheden denkbaar om een wrakingsverzoek niet direct ter zitting in te dienen, ook al zijn de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden al ter terechtzitting bekend geworden. Een van die omstandigheden die daarbij in aanmerking kan worden genomen is dat verzoekster in persoon procedeert en geen jurist is. Verzoekster vermeldt in haar wrakingsverzoek echter dat zij ter zitting werd bijgestaan door een advocaat. Gelet daarop had dan ook van verzoekster verwacht kunnen worden dat zij ter zitting tot wraking over zou zijn gegaan, althans (zeer) kort daarna. Immers, voorstelbaar is dat zij na de zitting met de advocaat over het doen van een wrakingsverzoek wilde overleggen. In dit geval is het wrakingsverzoek bij de rechtbank echter pas op de (zondag)avond van de vijfde dag na de zitting bij de rechtbank ingediend. Dit is dus, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster in haar verzoekschrift stelt, niet met de vereiste voortvarendheid gebeurd. Dat het verzoekschrift vóór de einduitspraak is ingediend, maakt dat niet anders. De wrakingskamer zal verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek en komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
Citeert (0)
- geen
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (6.535 tekens)
Wrakingskamer
Zittingsplaats Middelburg
Zaaknummer / rekestnummer: C/02/452262 / HA RK 26-178
Beschikking van 23 september 2026.
in de zaak van
[verzoekster]
,
wonende te [woonplaats],
verzoekende partij,
hierna te noemen: verzoekster,
verschenen in persoon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het per zivver op 13 september 2026 om 22:46 uur bij de rechtbank binnengekomen wrakingsverzoek van verzoekster gericht tegen mr. C. Kool rechter in deze rechtbank,
de mededeling van mr. Kool per e-mail van 15 september 2026 om 9:12 uur dat hij niet in de wraking berust.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2Het verzoek en de beoordeling daarvan
2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van mr. Kool, (hierna: de rechter) in de zaak met zaaknummer: 12345650 / VV EXPL 26-49.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster – samengevat – aan haar verzoek een samenstel van concrete gebeurtenissen tijdens de mondelinge behandeling van 8 september 2026 ten grondslag legt en meer in het bijzonder:
de ruimte die tijdens de behandeling werd gegeven aan ernstige kwalificaties over verzoeksters eerlijkheid, integriteit en motieven terwijl zich in het dossier stukken bevinden die daarmee niet verenigbaar zijn;
de wijze waarop essentiële onderdelen van verzoeksters technisch en deskundigenbewijs zijn gereduceerd dan wel niet inhoudelijk behandeld;
het als vervallen behandelen van vier wezenlijke vorderingen, zonder kenbare bewuste en ondubbelzinnige intrekking door verzoekster;
het door de kantonrechter aandragen van een concrete technische oplossingsrichting aan de zijde van de wederpartij.
Deze gebeurtenissen in onderlinge samenhang bezien hebben volgens verzoekster bij haar de objectief gerechtvaardigde vrees doen ontstaan dat er bij de rechter sprake is van vooringenomenheid.
2.3.
De rechter berust niet in het verzoek.
2.4.
Op grond van artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.5.
Voorop moet worden gesteld, dat bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter als uitgangspunt geldt, dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing oplevert dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij daarvoor bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is.
2.6.
Artikel 37 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering schrijft voor dat een verzoek tot wraking wordt gedaan zodra er feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden aan verzoeker bekend zijn geworden.
2.7.
De feiten op grond waarvan de rechter volgens verzoekster blijk heeft gegeven van vooringenomenheid, althans de schijn daarvan heeft gewekt, hebben zich ter zitting van 8 september 2026 voorgedaan. Dat betekent dat verzoekster in beginsel ter zitting tot wraking van de rechter had kunnen overgaan. Zij heeft echter ter zitting geen wrakingsverzoek gedaan. Het wrakingsverzoek is vijf dagen later ingediend. Er zijn omstandigheden denkbaar om een wrakingsverzoek niet direct ter zitting in te dienen, ook al zijn de feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden al ter terechtzitting bekend geworden. Een van die omstandigheden die daarbij in aanmerking kan worden genomen is dat verzoekster in persoon procedeert en geen jurist is. Verzoekster vermeldt in haar wrakingsverzoek echter dat zij ter zitting werd bijgestaan door mr. [advocaat], advocaat te [plaats]. Gelet daarop had dan ook van verzoekster verwacht kunnen worden dat zij ter zitting tot wraking over zou zijn gegaan, althans (zeer) kort daarna. Immers, voorstelbaar is dat zij na de zitting met mr. [advocaat] over het doen van een wrakingsverzoek wilde overleggen. In dit geval is het wrakingsverzoek bij de rechtbank echter pas op de (zondag)avond van de vijfde dag na de zitting bij de rechtbank ingediend. Dit is dus, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster in haar verzoekschrift stelt, niet met de vereiste voortvarendheid gebeurd. Dat het verzoekschrift vóór de einduitspraak is ingediend, maakt dat niet anders. De wrakingskamer zal verzoekster niet-ontvankelijk verklaren in haar verzoek en komt dan ook niet toe aan de inhoudelijke beoordeling daarvan.
2.8.
De wrakingskamer zal in deze zaak de mondelinge behandeling van het verzoek achterwege laten. Verzoekster heeft in haar verzoekschrift al toegelicht waarom zij van mening is dat het verzoek tijdig is ingediend. Er hoeft dan ook geen mondelinge behandeling te worden bepaald om verzoekster daartoe nog in de gelegenheid te stellen. De wrakingskamer heeft het standpunt van verzoekster op dit punt in aanmerking genomen bij de beoordeling of het verzoek voldeed aan de eisen van artikel 37 lid 1 Rv.
3De beslissing
De wrakingskamer:
3.1.
verklaart verzoekster in het verzoek tot wraking niet-ontvankelijk;
3.2.
bepaalt dat de hoofdzaak met zaaknummer 12345650 / VV EXPL 26-49 zal worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van de schorsing wegens de indiening van dit verzoek.
Deze beschikking is gegeven op 23 september 2026 door mr. Van der Lende-Mulder Smit, mr. Luijks en mr. Van Noort en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026. De beslissing wordt openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.