Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:9163

2026-09-16 Civiel recht; Verbintenissenrecht C/02/449443 / HA ZA 26-339 (T)
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-16
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure
Bodemzaak
Zaaknummer
C/02/449443 / HA ZA 26-339 (T)
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Onbevoegdheidsincident. Grondslag vordering bepalend. Arbitragebeding hierdoor niet van toepassing, zodat vordering wordt afgewezen.

Citeert (1)

Geciteerd door (0)

  • geen

Wetsverwijzingen

Volledige tekst

Volledige tekst (7.489 tekens)
RECHTBANK Zeeland-West-Brabant


Civiel recht



Zittingsplaats Breda



Zaaknummer: C/02/449443 / HA ZA 26-339




Vonnis in incident van 16 september 2026




in de zaak van





[de man]
,
te [plaats 1] (Spanje),
eisende partij in de hoofdzaak, verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [de man] ,
advocaat: mr. L.M. Dressel,



tegen





[de vrouw]
,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak, eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [de vrouw] ,
advocaat: mr. J.M. van der Wal.






1De procedure


1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 8 juni 2026 met producties 1 tot en met 18;


de conclusie van antwoord tevens incidentele conclusie tot onbevoegdverklaring met producties 1 tot en met 8;


de conclusie van antwoord in het incident.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.





2Het geschil



In de hoofdzaak



2.1.
In de hoofdzaak is, kort samengevat en alleen voor zover van belang voor de beoordeling van het incident, het volgende aan de hand. Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn (nog steeds) beide vennoten in een gezamenlijke vennootschap onder firma. Na het beëindigen van de affectieve relatie heeft [de man] de gezamenlijke woning toegedeeld gekregen. [de man] heeft de woning later verkocht. [de man] stelt dat hij in overleg met [de vrouw] (een deel van) de overwaarde van deze verkoopopbrengst, om fiscale redenen, in depot heeft gestort op de zakelijke rekening van de vof. [de man] stelt zich op het standpunt dat dit bedrag zijn eigendom is gebleven en hem onverkort blijft toekomen. Volgens [de man] heeft [de vrouw] zonder voorafgaand overleg en zonder zijn uitdrukkelijke toestemming gelden uit dit depot aan of ten behoeve van haarzelf overgemaakt. [de man] vordert in de hoofdzaak [de vrouw] te veroordelen tot terugbetaling van deze gelden, uit hoofde van onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking. [de vrouw] betwist enig bedrag aan [de man] verschuldigd te zijn en concludeert daarom tot afwijzing van de vordering in de hoofdzaak.



In het incident




2.2.

[de vrouw] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. Volgens [de vrouw] is niet de rechtbank, maar een onafhankelijk arbiter conform het arbitragereglement van de Kamer van Koophandel bevoegd van het geschil kennis te nemen. [de vrouw] legt hieraan ten grondslag dat in de tussen partijen gesloten vof-overeenkomst een (ruim geformuleerd) arbitragebeding is opgenomen. Het onderhavige geschil ziet naar zijn aard op de vennootschappelijke verhouding tussen partijen. Het geld is op de zakelijke rekening gestort en verwerking daarvan heeft plaatsgevonden in de administratie, jaarstukken en fiscale aangiften. [de man] probeert deze contractuele geschillenregeling te ontwijken door zijn vordering te presenteren als een persoonlijke vordering uit onrechtmatige daad dan wel ongerechtvaardigde verrijking. [de man] kiest daarmee juridisch de verkeerde grondslag, omdat de werkelijke aard van het geschil vennootschappelijk is, zo stelt [de vrouw] .



2.3.

[de man] heeft daartegen verweer gevoerd. De vordering van [de man] strekt niet tot nakoming, uitleg of afwikkeling van de vof-overeenkomst of een daarmee verband houdende overeenkomst. Hij vordert terugbetaling van privégelden, die uitsluitend ter bewaring en onder uitdrukkelijke voorwaarden op de zakelijke rekening zijn gestort.





3De beoordeling in het incident



De incidentele vordering wordt afgewezen



3.1.
De incidentele vordering tot onbevoegdverklaring zal worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit waarom.



3.2.
Voor het beoordelen van de absolute bevoegdheid is de grondslag van de vordering in de dagvaarding bepalend. Er moet daarbij vanuit worden gegaan dat een eisende partij een vordering beoogt in te stellen waarvoor de aangezochte rechter de bevoegde rechter is. Er is slechts sprake van onbevoegdheid, wanneer de dagvaarding niet in redelijkheid kan worden uitgelegd als een vordering waarvoor de rechtbank bevoegd is (ECLI:NL:HR:2008:BC7476).



3.3.
Uit de stellingen van [de man] volgt dat hij [de vrouw] verwijt onrechtmatige onttrekkingen te hebben gedaan aan het privévermogen van [de man] . De gestelde grondslag betreft dus niet het vennootschapsvermogen. [de man] heeft dan ook kennelijk bewust voor een procedure bij de rechtbank gekozen.



3.4.
In deze stand van de procedure (gelet op het nog niet volledig gevoerde debat tussen partijen) kan echter niet worden geoordeeld dat in redelijkheid geen sprake zou kunnen zijn van een vordering die ziet op het privévermogen van [de man] . Het voorgaande betekent dat de rechtbank bevoegd is om over het geschil te oordelen. Het oordeel over de bevoegde rechter is niet bepalend voor de uitkomst van de zaak; de behandelend rechter zou uiteindelijk wel tot de conclusie kunnen komen dat sprake is van vennootschapsvermogen.





Proceskosten




3.5.

[de vrouw] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [de man] worden begroot op € 842,00 (€ 653,00 aan salaris advocaat (1 punt × € 653,00) en € 189,00 aan nakosten), plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing.



3.6.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.





3De beslissing


De rechtbank




in het incident




3.1.
wijst de incidentele vordering tot onbevoegdverklaring af,



3.2.
veroordeelt [de vrouw] in de proceskosten van € 842,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [de vrouw] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,



3.3.
veroordeelt [de vrouw] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,



3.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,



in de hoofdzaak





3.5.
verwijst de zaak naar de rol van 23 september 2026 voor beraad over het vervolg van de procedure,



3.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.









Dit vonnis is gewezen door mr. Hartman en in het openbaar uitgesproken op 16 september 2026.