Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9160
2026-09-17
Bestuursrecht
BRE 23/10791 en 23/10792
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen
Inhoudsindicatie
Wet open overheid. Besluitvorming door de minister van Justitie en Veiligheid en de korpschef van Politie over het verzoek om openbaarmaking van documenten over totstandkoming en besluitvorming binnen de onderzoeken Dartmouth, 26Bismarck en 26Lemont en in relatie tot samenwerking binnen het Joint Investigation Team (JIT).
Citeert (10)
- ECLI:NL:RBZWB:2023:2102 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 30-03-2023
- ECLI:NL:RBZWB:2023:1953 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 24-03-2023
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17545 Rechtbank Den Haag 28-10-2024
- ECLI:NL:RBDHA:2024:17546 Rechtbank Den Haag 28-10-2024
- ECLI:NL:RVS:2025:262 Raad van State 27-01-2025
- ECLI:NL:RVS:2025:263 Raad van State 27-01-2025
- ECLI:NL:HR:2023:913 Hoge Raad 13-06-2023
- ECLI:NL:RVS:2020:2609 Raad van State 04-11-2020
- ECLI:NL:RVS:2023:490 Raad van State 08-02-2023
- ECLI:NL:RVS:2023:490 Raad van State 08-02-2023
Geciteerd door (0)
- geen
Wetsverwijzingen
Volledige tekst
Volledige tekst (34.320 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 23/10791 en 23/10792
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.C. Reisinger),
en
1. de minister van Justitie en Veiligheidverweerder in de zaak 23/10791
2. de korpschef van Politieverweerder in de zaak 23/10792
tezamen verweerders
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afhandeling van eisers verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) door verweerders. Eiser is het deels niet eens met de besluiten van verweerders. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluitvorming door verweerders.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen tegen de besluiten gegrond zijn, maar dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is verdachte in het strafrechtelijk onderzoek ‘Dartmouth’. Op 25 januari 2022 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van:
Documenten die zien op de totstandkoming van en besluitvorming binnen de onderzoeken Dartmouth, 26Bismarck en 26Lemont, en informatie betrekking hebbend op totstandkoming en besluitvorming in relatie tot samenwerking binnen het Joint Investigation Team (JIT) (hierna: deel 1 van het verzoek); en
Informatie die zich richt op meer algemene aangelegenheden, besluitvorming en beleidsdocumenten die zijn opgemaakt naar aanleiding van rapportages, keuringen, wetswijzigingen en de doorwerking van politieke besluitvorming op het gebied van digitale opsporing en gegevensverwerking door de politie en het Openbaar Ministerie (OM) (hierna: deel 2 van het verzoek).
2.1.
Op 1 mei 2022 is de Woo in werking getreden ter vervanging van de Wob. Deze wet kent geen overgangsrecht. Besluiten genomen op grond van vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken moeten met inachtneming van de bepalingen van de Woo worden genomen.
2.2.
Met het besluit van 8 juli 2022 heeft de minister op deel 1 van het verzoek besloten, voor zover dat is ingediend bij het landelijk parket van het OM en bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant (ZWB). De minister heeft het verzoek van eiser om openbaarmaking van de door hem gevraagde informatie integraal afgewezen.
Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat alle gevraagde informatie valt onder bijzondere openbaarmakingsregelingen die derogeren aan de Woo, te weten de titels 2 tot en met 3b van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en artikel 365, vierde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Daarnaast heeft de minister de openbaarmaking van documenten en/of passages in documenten geweigerd, omdat het belang van openbaarmaking van die informatie volgens hem niet opweegt tegen het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten en tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties.
Voor deel 2 van het Woo-verzoek verwijst de minister naar de besluitvorming van de korpschef.
2.3.
Met het besluit van 11 juli 2022 heeft de korpschef op deel 1 en 2 van het verzoek besloten, voor zover dat is ingediend bij de politie. De korpschef heeft het verzoek van eiser om openbaarmaking van de door hem gevraagde informatie integraal afgewezen.
Daaraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat alle gevraagde informatie valt onder bijzondere openbaarmakingsregelingen die derogeren aan de Woo, te weten artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv en de artikelen 3, derde lid, en 7 van de Wet politiegegevens (Wpg).
Daarnaast heeft de korpschef openbaarmaking van documenten en/of passages in documenten geweigerd, omdat dit de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden, omdat het belang van openbaarmaking van die informatie volgens hem niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties en tegen het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten, en omdat openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang.
2.4.
Op 18 augustus 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2022 van de minister. Op 2 februari 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift. Met de uitspraak van 30 maart 2023 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de minister opgedragen om binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken, en een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
2.5.
Op 19 augustus 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2022 van de korpschef. Op 2 februari 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Met de uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de korpschef opgedragen om binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken, en een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
2.6.
Op 6 november 2023 heeft eiser opnieuw beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschriften door de minister (23/10791) en door de korpschef (23/10792).
2.7.
Verweerders hebben op 15 respectievelijk 19 december 2023 alsnog beslissingen op de bezwaarschriften van eiser genomen. Verweerders hebben bij deze besluiten de integrale afwijzing van eisers Woo-verzoek gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering dat ook de bijzondere openbaarmakingsregeling van de artikelen 30 en 34 Sv van toepassing is op de informatie waar eiser om verzoekt.
2.8.
De beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften hebben van rechtswege mede betrekking op de nadien genomen besluiten.
2.9.
Eiser is het niet eens met de besluiten van 15 en 19 december 2023 en heeft bij brieven van 9 april 2024 aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.10.
Met de brief van 6 februari 2025 heeft de gemachtigde van verweerders aangekondigd dat verweerders de besluiten van 15 en 19 december 2023 gedeeltelijk gaan herzien. De reden daarvoor is dat de rechtbank Den Haag op 28 oktober 2024 uitspraak heeft gedaan in twee zaken over vergelijkbare Woo-verzoeken.
Verweerders hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en hebben de Afdeling verzocht in die zaken een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraken van 27 januari 2025 heeft de Afdeling dit verzoek toegewezen, in die zin dat hangende de hoger beroepen aan de uitspraken van de rechtbank Den Haag geen uitvoering hoeft te worden gegeven.
2.11.
Op 5 december 2025 heeft de minister een nieuw besluit genomen ten aanzien van deel 1 van eisers Woo-verzoek. Bij dit besluit is een aantal documenten geselecteerd en een aantal documenten is alsnog (deels) verstrekt. Over deel 2 van het verzoek zal de minister nog een besluit gaan nemen, zo kondigde hij aan.
2.12.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op een (regie)zitting behandeld. Eiser was daarbij niet aanwezig, maar hij werd vertegenwoordigd door mr. S. Benaskar (een kantoorgenoot van gemachtigde). Namens verweerders was aanwezig de gemachtigde, en mr. J.A. Groenendijk namens de minister en [persoon 1] namens de korpschef.
2.13.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij afspraken gemaakt met partijen over de aan te leveren besluiten en het indienen van gronden daartegen.
2.14.
Op 17 december 2025 heeft de korpschef een nieuw besluit genomen ten aanzien van deel 1 van eisers Woo-verzoek.
2.15.
Op 2 februari 2026 heeft de minister een nieuw besluit genomen ten aanzien van deel 2 van eisers Woo-verzoek.
2.16.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juni 2026 op een zitting behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door mr. S. Benaskar. Namens verweerders waren aanwezig de gemachtigde en mr. P.W.R. Verbeek, en mr. J.A. Groenendijk namens de minister en [persoon 2] namens de korpschef.
2.17.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
2.18.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd met zes weken.
Beoordeling door de rechtbank
Beroepen niet tijdig beslissen
3. Deze procedures zijn begonnen met beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften door verweerders.
3.1.
Met de uitspraken van 24 en 30 maart 2023 heeft de rechtbank de beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften gegrond verklaard en verweerders opgedragen binnen twee weken na verzending van die uitspraken besluiten op bezwaar te nemen.
3.2.
Eiser heeft op 6 november 2023 weer beroepen ingesteld, omdat verweerders niet aan de opdracht van de rechtbank hadden voldaan.
3.3.
Verweerders hebben op 15 en 19 december 2023 alsnog besluiten op bezwaar bekendgemaakt. Het procesbelang van eiser bij de beroepen wegens het niet tijdig beslissen is daarmee komen te vervallen. De rechtbank zal de beroepen daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
De besluiten van 15 en 19 december 2023
Omvang van het geding: deel 2 van het Woo-verzoek
4. Deel 2 van eisers Woo-verzoek zag op informatie die zich richt op meer algemene aangelegenheden, besluitvorming en beleidsdocumenten die zijn opgemaakt naar aanleiding van rapportages, keuringen, wetswijzigingen en de doorwerking van politieke besluitvorming op het gebied van digitale opsporing en gegevensverwerking door de politie en het OM.
4.1.
Bij besluit van 15 december 2023, zoals later gewijzigd bij besluit van 2 februari 2026, heeft de minister ten aanzien van deel 2 van het Woo-verzoek besloten om de informatie waarover hij beschikt alsnog gedeeltelijk openbaar te maken. De minister heeft op de bij het besluit behorende inventarislijst per document aangegeven of een document geheel of gedeeltelijk openbaar wordt gemaakt. Voor zover de openbaarmaking van een document geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, heeft de minister per document vermeld welke uitzonderingsgronden uit de artikelen 5.1 en 5.2 van de Woo zijn toegepast. De motivering van de toepassing van de weigeringsgronden heeft de minister vermeld in het besluit van 2 februari 2026.
4.2.
Eiser heeft in zijn reactie op het besluit van 2 februari 2026 aangegeven dat hij ten aanzien van deel 2 van het Woo-verzoek geen bezwaren meer heeft. De korpschef had aangekondigd het nieuwe besluit ten aanzien van deel 2 van eisers Woo-verzoek pas in december 2026 te kunnen nemen. Op de zitting van 25 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven ook daartegen geen bezwaren meer aan te willen voeren. De rechtbank neemt aan dat eiser daarmee het beroep heeft ingetrokken. De rechtbank zal deel 2 van het Woo-verzoek dan ook verder onbesproken laten. Daar is immers geen procesbelang meer bij, want kennelijk is de minister in voldoende mate aan eiser tegemoetgekomen voor wat betreft deel 2 van zijn Woo-verzoek.
4.3.
De beroepen van eiser zijn wel gegrond, omdat eiser in beroep is moeten komen om te bereiken dat deze stukken (deels) openbaar gemaakt werden. Eiser krijgt daarom een proceskostenvergoeding en hij krijgt zijn griffierecht terug.
De onderzoeken 26Bismarck, 26Lemont en Dartmouth
5. In het besluit van 15 december 2023 heeft de minister een omschrijving gegeven van de onderzoeken 26Bismarck, 26Lemont en Dartmouth. Voor een uitvoerige beschrijving van de feiten in de onderzoeken 26Bismarck en 26Lemont heeft de minister verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023, onder het kopje “Encrochat”:
“Encrochat
- Encrochat is de naam van een bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Met een mobiele telefoon van Encrochat konden versleutelde berichten worden verstuurd. Encrochat leverde naast deze telefoons een pakket aan diensten, waarmee toegang kon worden verkregen tot een communicatienetwerk waarbinnen versleutelde tekst- en spraakberichten en afbeeldingen konden worden verstuurd naar en ontvangen van andere gebruikers van Encrochat-toestellen. De toestellen beschikten over een speciaal ontwikkeld besturingssysteem en bevatten functionaliteiten voor het snel en eenvoudig wissen van berichten, terwijl er geen mogelijkheid was om het apparaat of de simkaart te koppelen aan een gebruikersaccount.”
De minister heeft toegelicht dat 26Bismarck een strafrechtelijk onderzoek is naar de gebruikers van Encrochat met als doel zicht te krijgen op de aard en omvang van het criminele platform en de aanbieder daarachter. 26Lemont is een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf Encrochat en de personen daaraan gelieerd.
Deze onderzoeken hebben betrekking op onder meer de ontmanteling van een versleuteld telefoonnetwerk, te weten Encrochat, dat breed werd gebruikt door criminele organisaties. Door middel van een JIT hebben de Franse en de Nederlandse Staat samengewerkt om inzicht te krijgen in die criminele berichtgeving via Encrochat. In een JIT wordt in het algemeen afgesproken om de relevante en vergaarde informatie in het JIT-onderzoek met elkaar te delen, zonder dat daarvoor een rechtshulpverzoek vereist is.
Volgens de minister heeft het JIT-onderzoek het mogelijk gemaakt dat miljoenen berichten die versleuteld via Encrochat zijn uitgewisseld, konden worden onderzocht door de Nederlandse opsporingsdiensten. Deze informatie is relevant gebleken voor een groot aantal lopende strafrechtelijke onderzoeken en heeft geleid tot de verstoring van criminele activiteiten, waaronder gewelddadige aanslagen, corruptie, poging tot moord en grootschalige drugstransporten, zo stelt de minister.
In het onderzoek Dartmouth is informatie gebruikt, die in bovenstaande onderzoeken is verkregen. Onderzoek Dartmouth heeft geleid tot het besluit om eiser strafrechtelijk te vervolgen.
Zoekslag en inventarisatie
5.1.
De minister heeft in de bezwaarfase opnieuw een inventarisatie gemaakt van de informatie die bij het OM aanwezig is, zowel bij het landelijk parket, als bij het arrondissementsparket ZWB. Het landelijk parket is betrokken geweest bij de brononderzoeken 26Bismarck en 26Lemont (JIT-onderzoek Frankrijk). Bij het arrondissementsparket ZWB is de strafzaak van eiser aanhangig, die voorkomt uit onderzoek Dartmouth.
Bij het inventariseren is op deze parketten gezocht in algemene mailboxen en de persoonlijke mailboxen van onder andere officieren van justitie, parketsecretarissen en teamleiders over deze onderzoeken en/of verdachten. Daarnaast zijn onder meer de JIT-stukken doorzocht, en ook alle stukken die zijn gebruikt voor de bij de rechter-commissaris ingediende vorderingen. Verder is gezocht in de stukken die aan het onderzoek Dartmouth zijn gevoegd.
5.2.
De korpschef heeft in de bezwaarfase opnieuw een inventarisatie gemaakt van de informatie die onder de politie berust en heeft beoordeeld of de aangetroffen documenten onder de reikwijdte van de Woo vallen. Hiertoe is uitvraag gedaan bij de dienst landelijke recherche van de landelijke eenheid en bij de politie-eenheid ZWB. Hierbij is steeds per onderdeel van eisers verzoek om alle informatie verzocht die in het Woo-verzoek staat.
Bij het inventariseren is binnen de dienst landelijke recherche door de betrokken coördinator, de operationeel specialist en de bevoegde functionaris gezocht in al het e-mailverkeer over de desbetreffende onderzoeken. Binnen de politie-eenheid ZWB is gezocht naar alle documenten over het onderzoek Dartmouth.
Het primaire standpunt van verweerders
5.3.
Verweerders stellen zich primair op het standpunt dat de door hen aangetroffen informatie niet onder de reikwijdte van de Woo valt, en dat er daarom geen inventarislijst van de aangetroffen documenten hoefde te worden opgesteld. Volgens de minister bestaat hiertoe geen wettelijke plicht. Hierbij verwijzen verweerders naar de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020.
Er zijn volgens verweerders diverse bijzondere openbaarmakingsregelingen aan de orde. Dat betreft in de eerste plaats artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv. Daarnaast geldt voor de documenten die onder de minister berusten titel 2a van de Wjsg en voor documenten die onder de korpschef berusten de artikelen 3, derde lid, en 7 van de Wpg. In bezwaar hebben verweerders vastgesteld dat ook de bijzondere openbaarmakingsregeling van de artikelen 30 en 34 Sv van toepassing is op alle informatie waar eiser om verzoekt.
Ter toelichting van de toepasselijkheid van de artikelen 30 en 34 Sv stellen verweerders dat de gemachtigde van eiser in de strafzaak onderzoekswensen heeft ingediend bij de rechtbank ZWB, waarin is verzocht om verstrekking van een aantal documenten. Volgens verweerders komt dat verzoek nagenoeg geheel overeen met eisers Woo-verzoek. Over het verstrekken van stukken in de strafzaak heeft de rechtbank al een beslissing genomen. De minister stelt dat de Woo niet bedoeld is om die beslissing opnieuw aan de orde te kunnen stellen en/of alsnog aan aanvullende of andere informatie te komen die had kunnen worden verzocht op grond van artikel 34 Sv. Voor informatie die eiser relevant acht voor zijn strafzaak, kan hij via de strafvorderlijke bepalingen van de artikelen 30 en 34 Sv bij de strafrechter terecht. In dit kader verwijzen verweerders naar een uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023.
De beroepsgronden van eiser in de brieven van 9 april 2024
5.4.
Ten aanzien van het niet opmaken en verstrekken van een inventarislijst door verweerders voert eiser aan dat er weliswaar geen plicht bestaat om een inventarislijst op te stellen, maar dat uit de rechtspraak wel volgt dat het zorgvuldigheidsbeginsel van een verweerder vergt dat bij hij het verstrekken van openbaargemaakte stukken duidelijk maakt wat hij heeft verstrekt. Eiser vindt dat ook bij deze integrale weigering tot het openbaar maken van stukken, de zorgvuldigheid vergt dat op enigerlei wijze inzicht wordt gegeven in de aangetroffen informatie waarvan wordt gesteld dat deze niet onder de reikwijdte van de Woo valt. Deze stelling is zowel voor eiser als voor de rechtbank volstrekt oncontroleerbaar, aldus eiser. Ook geeft de beschrijving van het inventarisatieproces onvoldoende inzicht in de wijze van informatievergaring. Er is niet duidelijk gemaakt welke zoektermen zijn gebruikt en ook ontbreekt het aan een duidelijke afbakening van de geraadpleegde bronnen en personen.
Eiser vraagt de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van art.8:29 Awb door opdracht te geven de aangetroffen stukken alsnog (gedeeltelijk) openbaar te maken, dan wel inzicht te geven in de omvang en aard van de aangetroffen documenten.
5.5.
Ten aanzien van de bijzondere openbaarmakingsregeling van de artikelen 30 en 34 Sv stelt eiser dat door verweerders ten onrechte het beeld wordt geschetst dat de Woo-procedure alleen is aangewend om alsnog processtukken te verkrijgen via de bestuursrechter nadat onderzoekswensen zijn ingediend bij de strafrechter. Het Woo-verzoek is eerder ingediend dan de onderzoekswensen, en het gaat om parallelle procedures met verschillende, doch deels overlappende, belangen. Eiser en zijn advocaat zijn daar transparant in geweest en het gaat om andersoortige informatie. In de strafzaak gaat het hoofdzakelijk om het verstrekken – en/of doen opmaken van processen-verbaal en het verzoeken tot het horen van getuigen. In de Woo-procedure gaat het om documenten die zien op de correspondentie ter voorbereiding van beslissingen, besluiten en bestuurlijke aangelegenheden. In zoverre verschilt het Woo-verzoek van eiser dan ook van de door verweerders aangehaalde jurisprudentie.
Eiser blijft bij zijn standpunt dat de artikelen 30 en 34 Sv niet van toepassing zijn. Hij persisteert in zijn bezwaargronden ten aanzien van artikel 365 Sv, de Wjsg (voor zover het het besluit van de minister betreft), de Wpg (voor zover het het besluit van de korpschef betreft), de actieve openbaarmakingsplicht, de weigeringsgronden van de Woo, en de mogelijkheid tot vertrekking van stukken op grond van artikel 5.6 van de Woo.
De besluiten van 5 en 17 december 2025
6. Op 5 en 17 december 2025 hebben verweerders nieuwe besluiten genomen ten aanzien van deel 1 van eisers Woo-verzoek. Hoewel verweerders zich niet kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank Den Haag in de vergelijkbare zaken en tegen de uitspraken van die rechtbank hoger beroep hebben ingesteld, hebben zij ook vastgesteld dat op enkele onderdelen van deel 1 van het verzoek mogelijk toch de Woo van toepassing is, althans dat niet reeds op basis van (de tekst van) deze subonderdelen kan worden vastgesteld dat niet de Woo maar een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is. Daarom nemen verweerders een subsidiair standpunt in.
6.1.
De minister heeft voor de betreffende subonderdelen van deel 1 van eisers verzoek de gevraagde informatie opgezocht en, indien aan de orde, met inachtneming van de Woo beoordeeld of die informatie openbaar kan worden gemaakt.
Het gaat volgens de minister om de volgende subonderdelen van deel 1: opsomming romeinse cijfers VIII tot en met XX op bladzijden 4 en 5 van het besluit van 5 december 2025 en in bijlage 1 bij het besluit. In bijlage 2 staan de artikelen die van toepassing zijn op de weigering/gedeeltelijke openbaarmaking van die stukken. In bijlage 3 zijn de gelakte documenten toegevoegd.
6.2.
De korpschef heeft voor de desbetreffende subonderdelen van deel 1 van eisers verzoek de gevraagde informatie opgezocht en, indien aan de orde, met inachtneming van de Woo beoordeeld of die informatie openbaar kan worden gemaakt.
Het gaat volgens de korpschef om de volgende subonderdelen van deel 1: opsomming romeinse cijfers VI tot en met XVIII op bladzijden 3 en 4 van het besluit en in bijlage 1. In bijlage 2 staan de artikelen die van toepassing zijn op de weigering/gedeeltelijke openbaarmaking van die stukken en zijn de gelakte documenten toegevoegd.
6.3.
De gemachtigde van eiser heeft tegen het besluit van 5 december 2025 geen nieuwe beroepsgronden aangevoerd. De beroepsgronden in de brieven van 9 april 2024 zijn ook niet ingetrokken. Deze beroepsgronden zal de rechtbank beoordelen.
Tegen het besluit van 17 december 2025 voert eiser nog aan dat nagenoeg het gehele dossier is ‘weggelakt’. De mate waarin is gelakt is zodanig omvangrijk dat de inhoudelijke toetsing van de gemaakte afweging feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Indien een langere periode aan een Woo-verzoek wordt gewerkt, mag worden verwacht dat per document, en waar nodig per passage, een concrete en kenbare belangenafweging plaatsvindt. Sterker nog, per passage is vaak meer dan één grond aanwezig die zich niet zonder meer met elkaar verhouden en waardoor in elk geval een mate van voldoende precisie in de afweging ontbreekt. Er is volgens eiser geen sprake van een documentspecifieke toetsing.
Dit klemt volgens hem te meer nu uit de stukken afkomstig van de minister blijkt dat het wel degelijk mogelijk is om informatie die niet onder een uitzonderingsgrond valt, afzonderlijk en zichtbaar te laten. Die zorgvuldigheid lijkt bij de politiestukken vooralsnog te ontbreken. Eiser maakt daarom bezwaar tegen de wijze waarop de politiestukken van 17 december 2025 zijn verstrekt. Hij verzoekt de rechtbank om te bepalen een nadere, gespecificeerde motivering per document - en zo mogelijk per passage - te laten geven waarin wordt aangegeven op welke concrete uitzonderingsgrond de weigering berust, en om heroverweging te laten plaatsvinden met betrekking tot de gelakte passages, met inachtneming van het uitgangspunt van maximale openbaarheid en het beginsel van gedeeltelijke verstrekking.
Oordeel van de rechtbank over het primaire standpunt van verweerders
7. De rechtbank is, net als de rechtbank Den Haag in de vergelijkbare zaken, van oordeel dat uit de besluiten van 15 en 19 december 2023 onvoldoende inzichtelijk is geworden welke informatie op welke wijze is verkregen die relevant is voor deel 1 van het Woo-verzoek van eiser. Verder is niet duidelijk geworden hoe verweerders hebben beoordeeld of de aangetroffen informatie onder een bijzonder openbaarmakingsregime valt, en zo ja onder welk. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerders per aangetroffen document of passage daarvan hebben beoordeeld of dit onder een bijzonder openbaarmakingsregime valt, dan wel onder de Woo en zo ja, of er weigeringsgronden van toepassing zijn die zich tegen openbaarmaking verzetten.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders niet aannemelijk gemaakt dat ze de aangetroffen informatie op documentniveau hebben beoordeeld. De algehele uitsluiting van openbaarmaking vanwege gestelde toepasselijkheid van bijzondere openbaarmakings-regelingen acht de rechtbank, mede gelet op de gedetailleerdheid van het Woo-verzoek van eiser enerzijds en de volgens verweerders zeer grote hoeveelheid aangetroffen documenten anderzijds, onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd, maar bovenal niet toetsbaar en controleerbaar.
In zoverre gaat de vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023 niet op, want in die zaak had eiser verzocht om openbaarmaking van de stukken die ten grondslag liggen aan een vordering van de OvJ, die volgens hem ten onrechte in het strafdossier ontbraken. In die situatie is duidelijk dat artikel 30 Sv een bijzondere openbaarmakingsregeling bevat die derogeert aan de Woo en kan het Woo-verzoek integraal worden afgewezen zonder een inventarisatie van de stukken te maken.
Dat er binnen de reikwijdte van deel 1 van het Woo-verzoek wel degelijk (delen) van documenten zijn aangetroffen door verweerders waarvan is gebleken dat deze niet onder een bijzonder openbaarmakingsregime vallen, blijkt ook uit (de bijlagen bij) de besluiten van 5 en 17 december 2025.
De beroepen van eiser zijn, ook in zoverre, gegrond.
Oordeel van de rechtbank over het subsidiaire standpunt van verweerders
8. De rechtbank constateert dat verweerders in de besluiten van 5 en 17 december 2025 hebben toegelicht hoe de zoekslag en inventarisatie hebben plaatsgevonden en op welke zoektermen daarbij is gezocht. Eiser heeft niet aangevoerd dat deze zoekslag onjuist of onvolledig zou zijn geweest, en ook niet dat er onder verweerders meer of andere documenten zouden berusten die relevant zijn voor deel 1 van zijn Woo-verzoek.
Vervolgens hebben verweerders per document beoordeeld of dit valt onder een bijzondere openbaarmakingsregeling. Voor zover verweerders hebben geconstateerd dat dat niet het geval was en de documenten al dan niet gedeeltelijk toch onder de reikwijdte van de Woo vallen, hebben verweerders verder beoordeeld in hoeverre er zich weigeringsgronden van de Woo voordeden die aan openbaarmaking in de weg staan. Op de bij de besluiten van 5 en 17 december 2025 behorende inventarislijsten hebben verweerders steeds per document aangegeven of dit al dan niet (gedeeltelijk) openbaar wordt gemaakt, dan wel of een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is of, en zo ja welke, weigeringsgrond van de Woo zich tegen openbaarmaking verzet. Eiser heeft niet aangegeven waarom deze beoordeling en ten aanzien van welk document, geen stand zou kunnen houden. Dat heel veel informatie in de openbaar gemaakte documenten is weggelakt, moet eiser worden nagegeven. Dat is echter ook te verwachten, gelet op de zeer gevoelige informatie waarvan openbaarmaking wordt gevraagd.
De rechtbank is van oordeel dat verweerders - uiteindelijk - op een zorgvuldige wijze hebben besloten op het Woo-verzoek van eiser, en dat het vervolgens op zijn weg ligt om die beoordeling gemotiveerd te betwisten. Daar is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.
Dit betekent dat de beoordeling in de besluiten van 5 en 17 december 2025 in rechte stand houdt.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften zijn niet-ontvankelijk.
Het beroep met kenmerk 23/10791 tegen de besluiten van de minister van 15 december 2023, 5 december 2025 en 2 februari 2026 is gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen daarvan in stand.
Het beroep met kenmerk 23/10792 tegen de besluiten van de korpschef van 19 december 2023 en 17 december 2025 is gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen daarvan in stand.
9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moeten verweerders het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerders moeten deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.811,- omdat de gemachtigde van eiser beroepschriften heeft ingediend en aan de zittingen heeft deelgenomen en omdat de rechtbank ziet deze beroepen als samenhangende zaken. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de bezwaarschriften niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen gegrond;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.405,50 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.405,50 aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. A.G.J.M. de Weert en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 17 september 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 10.1 van de Wet open overheid (Woo).
Artikel 8.8 en de bijlage bij de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo.
Artikel 8.8 en de bijlage bij de Woo.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Woo.
Artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.
ECLI:NL:RBZWB:2023:2102.
ECLI:NL:RBZWB:2023:1953.
Artikel 8.8 en de bijlage bij de Woo.
Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2024:17545 en ECLI:NL:RBDHA:2024:17546.
ECLI:NL:RVS:2025:262 en ECLI:NL:RVS:2025:263.
ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 5.
ECLI:NL:RVS:2020:2609.
ECLI:NL:RVS:2023:490.
ECLI:NL:RVS:2023:490.
Zittingsplaats Breda
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 23/10791 en 23/10792
uitspraak van de meervoudige kamer van 17 september 2026 in de zaken tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
(gemachtigde: mr. J.C. Reisinger),
en
1. de minister van Justitie en Veiligheidverweerder in de zaak 23/10791
2. de korpschef van Politieverweerder in de zaak 23/10792
tezamen verweerders
(gemachtigde: mr. N.N. Bontje).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de afhandeling van eisers verzoek op grond van de Wet open overheid (Woo) door verweerders. Eiser is het deels niet eens met de besluiten van verweerders. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van onder meer deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluitvorming door verweerders.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen tegen de besluiten gegrond zijn, maar dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser is verdachte in het strafrechtelijk onderzoek ‘Dartmouth’. Op 25 januari 2022 heeft eiser een verzoek ingediend op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Eiser heeft verzocht om openbaarmaking van:
Documenten die zien op de totstandkoming van en besluitvorming binnen de onderzoeken Dartmouth, 26Bismarck en 26Lemont, en informatie betrekking hebbend op totstandkoming en besluitvorming in relatie tot samenwerking binnen het Joint Investigation Team (JIT) (hierna: deel 1 van het verzoek); en
Informatie die zich richt op meer algemene aangelegenheden, besluitvorming en beleidsdocumenten die zijn opgemaakt naar aanleiding van rapportages, keuringen, wetswijzigingen en de doorwerking van politieke besluitvorming op het gebied van digitale opsporing en gegevensverwerking door de politie en het Openbaar Ministerie (OM) (hierna: deel 2 van het verzoek).
2.1.
Op 1 mei 2022 is de Woo in werking getreden ter vervanging van de Wob. Deze wet kent geen overgangsrecht. Besluiten genomen op grond van vóór de inwerkingtreding van de Woo ingediende Wob-verzoeken moeten met inachtneming van de bepalingen van de Woo worden genomen.
2.2.
Met het besluit van 8 juli 2022 heeft de minister op deel 1 van het verzoek besloten, voor zover dat is ingediend bij het landelijk parket van het OM en bij het arrondissementsparket Zeeland-West-Brabant (ZWB). De minister heeft het verzoek van eiser om openbaarmaking van de door hem gevraagde informatie integraal afgewezen.
Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat alle gevraagde informatie valt onder bijzondere openbaarmakingsregelingen die derogeren aan de Woo, te weten de titels 2 tot en met 3b van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) en artikel 365, vierde en vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering (Sv).
Daarnaast heeft de minister de openbaarmaking van documenten en/of passages in documenten geweigerd, omdat het belang van openbaarmaking van die informatie volgens hem niet opweegt tegen het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten en tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties.
Voor deel 2 van het Woo-verzoek verwijst de minister naar de besluitvorming van de korpschef.
2.3.
Met het besluit van 11 juli 2022 heeft de korpschef op deel 1 en 2 van het verzoek besloten, voor zover dat is ingediend bij de politie. De korpschef heeft het verzoek van eiser om openbaarmaking van de door hem gevraagde informatie integraal afgewezen.
Daaraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat alle gevraagde informatie valt onder bijzondere openbaarmakingsregelingen die derogeren aan de Woo, te weten artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv en de artikelen 3, derde lid, en 7 van de Wet politiegegevens (Wpg).
Daarnaast heeft de korpschef openbaarmaking van documenten en/of passages in documenten geweigerd, omdat dit de veiligheid van de Staat zou kunnen schaden, omdat het belang van openbaarmaking van die informatie volgens hem niet opweegt tegen het belang van de betrekkingen van Nederland met andere landen en staten en met internationale organisaties en tegen het belang van opsporing en vervolging van strafbare feiten, en omdat openbaarmaking onevenredige benadeling toebrengt aan een ander belang.
2.4.
Op 18 augustus 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 8 juli 2022 van de minister. Op 2 februari 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn bezwaarschrift. Met de uitspraak van 30 maart 2023 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de minister opgedragen om binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken, en een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
2.5.
Op 19 augustus 2022 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 juli 2022 van de korpschef. Op 2 februari 2023 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschrift. Met de uitspraak van 24 maart 2023 heeft de rechtbank dit beroep gegrond verklaard, de korpschef opgedragen om binnen twee weken alsnog een besluit op bezwaar bekend te maken, en een dwangsom opgelegd van € 100,- per dag, met een maximum van € 15.000,-.
2.6.
Op 6 november 2023 heeft eiser opnieuw beroepen ingesteld tegen het niet tijdig beslissen op zijn bezwaarschriften door de minister (23/10791) en door de korpschef (23/10792).
2.7.
Verweerders hebben op 15 respectievelijk 19 december 2023 alsnog beslissingen op de bezwaarschriften van eiser genomen. Verweerders hebben bij deze besluiten de integrale afwijzing van eisers Woo-verzoek gehandhaafd, onder aanvulling van de motivering dat ook de bijzondere openbaarmakingsregeling van de artikelen 30 en 34 Sv van toepassing is op de informatie waar eiser om verzoekt.
2.8.
De beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften hebben van rechtswege mede betrekking op de nadien genomen besluiten.
2.9.
Eiser is het niet eens met de besluiten van 15 en 19 december 2023 en heeft bij brieven van 9 april 2024 aanvullende beroepsgronden ingediend.
2.10.
Met de brief van 6 februari 2025 heeft de gemachtigde van verweerders aangekondigd dat verweerders de besluiten van 15 en 19 december 2023 gedeeltelijk gaan herzien. De reden daarvoor is dat de rechtbank Den Haag op 28 oktober 2024 uitspraak heeft gedaan in twee zaken over vergelijkbare Woo-verzoeken.
Verweerders hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) en hebben de Afdeling verzocht in die zaken een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraken van 27 januari 2025 heeft de Afdeling dit verzoek toegewezen, in die zin dat hangende de hoger beroepen aan de uitspraken van de rechtbank Den Haag geen uitvoering hoeft te worden gegeven.
2.11.
Op 5 december 2025 heeft de minister een nieuw besluit genomen ten aanzien van deel 1 van eisers Woo-verzoek. Bij dit besluit is een aantal documenten geselecteerd en een aantal documenten is alsnog (deels) verstrekt. Over deel 2 van het verzoek zal de minister nog een besluit gaan nemen, zo kondigde hij aan.
2.12.
De rechtbank heeft de beroepen op 16 december 2025 op een (regie)zitting behandeld. Eiser was daarbij niet aanwezig, maar hij werd vertegenwoordigd door mr. S. Benaskar (een kantoorgenoot van gemachtigde). Namens verweerders was aanwezig de gemachtigde, en mr. J.A. Groenendijk namens de minister en [persoon 1] namens de korpschef.
2.13.
De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst en daarbij afspraken gemaakt met partijen over de aan te leveren besluiten en het indienen van gronden daartegen.
2.14.
Op 17 december 2025 heeft de korpschef een nieuw besluit genomen ten aanzien van deel 1 van eisers Woo-verzoek.
2.15.
Op 2 februari 2026 heeft de minister een nieuw besluit genomen ten aanzien van deel 2 van eisers Woo-verzoek.
2.16.
De rechtbank heeft de beroepen op 25 juni 2026 op een zitting behandeld. Eiser werd vertegenwoordigd door mr. S. Benaskar. Namens verweerders waren aanwezig de gemachtigde en mr. P.W.R. Verbeek, en mr. J.A. Groenendijk namens de minister en [persoon 2] namens de korpschef.
2.17.
Aan het einde van de zitting heeft de rechtbank het onderzoek gesloten.
2.18.
De rechtbank heeft de uitspraaktermijn verlengd met zes weken.
Beoordeling door de rechtbank
Beroepen niet tijdig beslissen
3. Deze procedures zijn begonnen met beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften door verweerders.
3.1.
Met de uitspraken van 24 en 30 maart 2023 heeft de rechtbank de beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften gegrond verklaard en verweerders opgedragen binnen twee weken na verzending van die uitspraken besluiten op bezwaar te nemen.
3.2.
Eiser heeft op 6 november 2023 weer beroepen ingesteld, omdat verweerders niet aan de opdracht van de rechtbank hadden voldaan.
3.3.
Verweerders hebben op 15 en 19 december 2023 alsnog besluiten op bezwaar bekendgemaakt. Het procesbelang van eiser bij de beroepen wegens het niet tijdig beslissen is daarmee komen te vervallen. De rechtbank zal de beroepen daarom in zoverre niet-ontvankelijk verklaren.
De besluiten van 15 en 19 december 2023
Omvang van het geding: deel 2 van het Woo-verzoek
4. Deel 2 van eisers Woo-verzoek zag op informatie die zich richt op meer algemene aangelegenheden, besluitvorming en beleidsdocumenten die zijn opgemaakt naar aanleiding van rapportages, keuringen, wetswijzigingen en de doorwerking van politieke besluitvorming op het gebied van digitale opsporing en gegevensverwerking door de politie en het OM.
4.1.
Bij besluit van 15 december 2023, zoals later gewijzigd bij besluit van 2 februari 2026, heeft de minister ten aanzien van deel 2 van het Woo-verzoek besloten om de informatie waarover hij beschikt alsnog gedeeltelijk openbaar te maken. De minister heeft op de bij het besluit behorende inventarislijst per document aangegeven of een document geheel of gedeeltelijk openbaar wordt gemaakt. Voor zover de openbaarmaking van een document geheel of gedeeltelijk wordt geweigerd, heeft de minister per document vermeld welke uitzonderingsgronden uit de artikelen 5.1 en 5.2 van de Woo zijn toegepast. De motivering van de toepassing van de weigeringsgronden heeft de minister vermeld in het besluit van 2 februari 2026.
4.2.
Eiser heeft in zijn reactie op het besluit van 2 februari 2026 aangegeven dat hij ten aanzien van deel 2 van het Woo-verzoek geen bezwaren meer heeft. De korpschef had aangekondigd het nieuwe besluit ten aanzien van deel 2 van eisers Woo-verzoek pas in december 2026 te kunnen nemen. Op de zitting van 25 juni 2026 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven ook daartegen geen bezwaren meer aan te willen voeren. De rechtbank neemt aan dat eiser daarmee het beroep heeft ingetrokken. De rechtbank zal deel 2 van het Woo-verzoek dan ook verder onbesproken laten. Daar is immers geen procesbelang meer bij, want kennelijk is de minister in voldoende mate aan eiser tegemoetgekomen voor wat betreft deel 2 van zijn Woo-verzoek.
4.3.
De beroepen van eiser zijn wel gegrond, omdat eiser in beroep is moeten komen om te bereiken dat deze stukken (deels) openbaar gemaakt werden. Eiser krijgt daarom een proceskostenvergoeding en hij krijgt zijn griffierecht terug.
De onderzoeken 26Bismarck, 26Lemont en Dartmouth
5. In het besluit van 15 december 2023 heeft de minister een omschrijving gegeven van de onderzoeken 26Bismarck, 26Lemont en Dartmouth. Voor een uitvoerige beschrijving van de feiten in de onderzoeken 26Bismarck en 26Lemont heeft de minister verwezen naar het arrest van de Hoge Raad van 13 juni 2023, onder het kopje “Encrochat”:
“Encrochat
- Encrochat is de naam van een bedrijf dat een versleutelde berichtendienst aanbood. Met een mobiele telefoon van Encrochat konden versleutelde berichten worden verstuurd. Encrochat leverde naast deze telefoons een pakket aan diensten, waarmee toegang kon worden verkregen tot een communicatienetwerk waarbinnen versleutelde tekst- en spraakberichten en afbeeldingen konden worden verstuurd naar en ontvangen van andere gebruikers van Encrochat-toestellen. De toestellen beschikten over een speciaal ontwikkeld besturingssysteem en bevatten functionaliteiten voor het snel en eenvoudig wissen van berichten, terwijl er geen mogelijkheid was om het apparaat of de simkaart te koppelen aan een gebruikersaccount.”
De minister heeft toegelicht dat 26Bismarck een strafrechtelijk onderzoek is naar de gebruikers van Encrochat met als doel zicht te krijgen op de aard en omvang van het criminele platform en de aanbieder daarachter. 26Lemont is een strafrechtelijk onderzoek naar het bedrijf Encrochat en de personen daaraan gelieerd.
Deze onderzoeken hebben betrekking op onder meer de ontmanteling van een versleuteld telefoonnetwerk, te weten Encrochat, dat breed werd gebruikt door criminele organisaties. Door middel van een JIT hebben de Franse en de Nederlandse Staat samengewerkt om inzicht te krijgen in die criminele berichtgeving via Encrochat. In een JIT wordt in het algemeen afgesproken om de relevante en vergaarde informatie in het JIT-onderzoek met elkaar te delen, zonder dat daarvoor een rechtshulpverzoek vereist is.
Volgens de minister heeft het JIT-onderzoek het mogelijk gemaakt dat miljoenen berichten die versleuteld via Encrochat zijn uitgewisseld, konden worden onderzocht door de Nederlandse opsporingsdiensten. Deze informatie is relevant gebleken voor een groot aantal lopende strafrechtelijke onderzoeken en heeft geleid tot de verstoring van criminele activiteiten, waaronder gewelddadige aanslagen, corruptie, poging tot moord en grootschalige drugstransporten, zo stelt de minister.
In het onderzoek Dartmouth is informatie gebruikt, die in bovenstaande onderzoeken is verkregen. Onderzoek Dartmouth heeft geleid tot het besluit om eiser strafrechtelijk te vervolgen.
Zoekslag en inventarisatie
5.1.
De minister heeft in de bezwaarfase opnieuw een inventarisatie gemaakt van de informatie die bij het OM aanwezig is, zowel bij het landelijk parket, als bij het arrondissementsparket ZWB. Het landelijk parket is betrokken geweest bij de brononderzoeken 26Bismarck en 26Lemont (JIT-onderzoek Frankrijk). Bij het arrondissementsparket ZWB is de strafzaak van eiser aanhangig, die voorkomt uit onderzoek Dartmouth.
Bij het inventariseren is op deze parketten gezocht in algemene mailboxen en de persoonlijke mailboxen van onder andere officieren van justitie, parketsecretarissen en teamleiders over deze onderzoeken en/of verdachten. Daarnaast zijn onder meer de JIT-stukken doorzocht, en ook alle stukken die zijn gebruikt voor de bij de rechter-commissaris ingediende vorderingen. Verder is gezocht in de stukken die aan het onderzoek Dartmouth zijn gevoegd.
5.2.
De korpschef heeft in de bezwaarfase opnieuw een inventarisatie gemaakt van de informatie die onder de politie berust en heeft beoordeeld of de aangetroffen documenten onder de reikwijdte van de Woo vallen. Hiertoe is uitvraag gedaan bij de dienst landelijke recherche van de landelijke eenheid en bij de politie-eenheid ZWB. Hierbij is steeds per onderdeel van eisers verzoek om alle informatie verzocht die in het Woo-verzoek staat.
Bij het inventariseren is binnen de dienst landelijke recherche door de betrokken coördinator, de operationeel specialist en de bevoegde functionaris gezocht in al het e-mailverkeer over de desbetreffende onderzoeken. Binnen de politie-eenheid ZWB is gezocht naar alle documenten over het onderzoek Dartmouth.
Het primaire standpunt van verweerders
5.3.
Verweerders stellen zich primair op het standpunt dat de door hen aangetroffen informatie niet onder de reikwijdte van de Woo valt, en dat er daarom geen inventarislijst van de aangetroffen documenten hoefde te worden opgesteld. Volgens de minister bestaat hiertoe geen wettelijke plicht. Hierbij verwijzen verweerders naar de uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020.
Er zijn volgens verweerders diverse bijzondere openbaarmakingsregelingen aan de orde. Dat betreft in de eerste plaats artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv. Daarnaast geldt voor de documenten die onder de minister berusten titel 2a van de Wjsg en voor documenten die onder de korpschef berusten de artikelen 3, derde lid, en 7 van de Wpg. In bezwaar hebben verweerders vastgesteld dat ook de bijzondere openbaarmakingsregeling van de artikelen 30 en 34 Sv van toepassing is op alle informatie waar eiser om verzoekt.
Ter toelichting van de toepasselijkheid van de artikelen 30 en 34 Sv stellen verweerders dat de gemachtigde van eiser in de strafzaak onderzoekswensen heeft ingediend bij de rechtbank ZWB, waarin is verzocht om verstrekking van een aantal documenten. Volgens verweerders komt dat verzoek nagenoeg geheel overeen met eisers Woo-verzoek. Over het verstrekken van stukken in de strafzaak heeft de rechtbank al een beslissing genomen. De minister stelt dat de Woo niet bedoeld is om die beslissing opnieuw aan de orde te kunnen stellen en/of alsnog aan aanvullende of andere informatie te komen die had kunnen worden verzocht op grond van artikel 34 Sv. Voor informatie die eiser relevant acht voor zijn strafzaak, kan hij via de strafvorderlijke bepalingen van de artikelen 30 en 34 Sv bij de strafrechter terecht. In dit kader verwijzen verweerders naar een uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023.
De beroepsgronden van eiser in de brieven van 9 april 2024
5.4.
Ten aanzien van het niet opmaken en verstrekken van een inventarislijst door verweerders voert eiser aan dat er weliswaar geen plicht bestaat om een inventarislijst op te stellen, maar dat uit de rechtspraak wel volgt dat het zorgvuldigheidsbeginsel van een verweerder vergt dat bij hij het verstrekken van openbaargemaakte stukken duidelijk maakt wat hij heeft verstrekt. Eiser vindt dat ook bij deze integrale weigering tot het openbaar maken van stukken, de zorgvuldigheid vergt dat op enigerlei wijze inzicht wordt gegeven in de aangetroffen informatie waarvan wordt gesteld dat deze niet onder de reikwijdte van de Woo valt. Deze stelling is zowel voor eiser als voor de rechtbank volstrekt oncontroleerbaar, aldus eiser. Ook geeft de beschrijving van het inventarisatieproces onvoldoende inzicht in de wijze van informatievergaring. Er is niet duidelijk gemaakt welke zoektermen zijn gebruikt en ook ontbreekt het aan een duidelijke afbakening van de geraadpleegde bronnen en personen.
Eiser vraagt de rechtbank om gebruik te maken van haar bevoegdheid op grond van art.8:29 Awb door opdracht te geven de aangetroffen stukken alsnog (gedeeltelijk) openbaar te maken, dan wel inzicht te geven in de omvang en aard van de aangetroffen documenten.
5.5.
Ten aanzien van de bijzondere openbaarmakingsregeling van de artikelen 30 en 34 Sv stelt eiser dat door verweerders ten onrechte het beeld wordt geschetst dat de Woo-procedure alleen is aangewend om alsnog processtukken te verkrijgen via de bestuursrechter nadat onderzoekswensen zijn ingediend bij de strafrechter. Het Woo-verzoek is eerder ingediend dan de onderzoekswensen, en het gaat om parallelle procedures met verschillende, doch deels overlappende, belangen. Eiser en zijn advocaat zijn daar transparant in geweest en het gaat om andersoortige informatie. In de strafzaak gaat het hoofdzakelijk om het verstrekken – en/of doen opmaken van processen-verbaal en het verzoeken tot het horen van getuigen. In de Woo-procedure gaat het om documenten die zien op de correspondentie ter voorbereiding van beslissingen, besluiten en bestuurlijke aangelegenheden. In zoverre verschilt het Woo-verzoek van eiser dan ook van de door verweerders aangehaalde jurisprudentie.
Eiser blijft bij zijn standpunt dat de artikelen 30 en 34 Sv niet van toepassing zijn. Hij persisteert in zijn bezwaargronden ten aanzien van artikel 365 Sv, de Wjsg (voor zover het het besluit van de minister betreft), de Wpg (voor zover het het besluit van de korpschef betreft), de actieve openbaarmakingsplicht, de weigeringsgronden van de Woo, en de mogelijkheid tot vertrekking van stukken op grond van artikel 5.6 van de Woo.
De besluiten van 5 en 17 december 2025
6. Op 5 en 17 december 2025 hebben verweerders nieuwe besluiten genomen ten aanzien van deel 1 van eisers Woo-verzoek. Hoewel verweerders zich niet kunnen verenigen met het oordeel van de rechtbank Den Haag in de vergelijkbare zaken en tegen de uitspraken van die rechtbank hoger beroep hebben ingesteld, hebben zij ook vastgesteld dat op enkele onderdelen van deel 1 van het verzoek mogelijk toch de Woo van toepassing is, althans dat niet reeds op basis van (de tekst van) deze subonderdelen kan worden vastgesteld dat niet de Woo maar een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is. Daarom nemen verweerders een subsidiair standpunt in.
6.1.
De minister heeft voor de betreffende subonderdelen van deel 1 van eisers verzoek de gevraagde informatie opgezocht en, indien aan de orde, met inachtneming van de Woo beoordeeld of die informatie openbaar kan worden gemaakt.
Het gaat volgens de minister om de volgende subonderdelen van deel 1: opsomming romeinse cijfers VIII tot en met XX op bladzijden 4 en 5 van het besluit van 5 december 2025 en in bijlage 1 bij het besluit. In bijlage 2 staan de artikelen die van toepassing zijn op de weigering/gedeeltelijke openbaarmaking van die stukken. In bijlage 3 zijn de gelakte documenten toegevoegd.
6.2.
De korpschef heeft voor de desbetreffende subonderdelen van deel 1 van eisers verzoek de gevraagde informatie opgezocht en, indien aan de orde, met inachtneming van de Woo beoordeeld of die informatie openbaar kan worden gemaakt.
Het gaat volgens de korpschef om de volgende subonderdelen van deel 1: opsomming romeinse cijfers VI tot en met XVIII op bladzijden 3 en 4 van het besluit en in bijlage 1. In bijlage 2 staan de artikelen die van toepassing zijn op de weigering/gedeeltelijke openbaarmaking van die stukken en zijn de gelakte documenten toegevoegd.
6.3.
De gemachtigde van eiser heeft tegen het besluit van 5 december 2025 geen nieuwe beroepsgronden aangevoerd. De beroepsgronden in de brieven van 9 april 2024 zijn ook niet ingetrokken. Deze beroepsgronden zal de rechtbank beoordelen.
Tegen het besluit van 17 december 2025 voert eiser nog aan dat nagenoeg het gehele dossier is ‘weggelakt’. De mate waarin is gelakt is zodanig omvangrijk dat de inhoudelijke toetsing van de gemaakte afweging feitelijk onmogelijk wordt gemaakt. Indien een langere periode aan een Woo-verzoek wordt gewerkt, mag worden verwacht dat per document, en waar nodig per passage, een concrete en kenbare belangenafweging plaatsvindt. Sterker nog, per passage is vaak meer dan één grond aanwezig die zich niet zonder meer met elkaar verhouden en waardoor in elk geval een mate van voldoende precisie in de afweging ontbreekt. Er is volgens eiser geen sprake van een documentspecifieke toetsing.
Dit klemt volgens hem te meer nu uit de stukken afkomstig van de minister blijkt dat het wel degelijk mogelijk is om informatie die niet onder een uitzonderingsgrond valt, afzonderlijk en zichtbaar te laten. Die zorgvuldigheid lijkt bij de politiestukken vooralsnog te ontbreken. Eiser maakt daarom bezwaar tegen de wijze waarop de politiestukken van 17 december 2025 zijn verstrekt. Hij verzoekt de rechtbank om te bepalen een nadere, gespecificeerde motivering per document - en zo mogelijk per passage - te laten geven waarin wordt aangegeven op welke concrete uitzonderingsgrond de weigering berust, en om heroverweging te laten plaatsvinden met betrekking tot de gelakte passages, met inachtneming van het uitgangspunt van maximale openbaarheid en het beginsel van gedeeltelijke verstrekking.
Oordeel van de rechtbank over het primaire standpunt van verweerders
7. De rechtbank is, net als de rechtbank Den Haag in de vergelijkbare zaken, van oordeel dat uit de besluiten van 15 en 19 december 2023 onvoldoende inzichtelijk is geworden welke informatie op welke wijze is verkregen die relevant is voor deel 1 van het Woo-verzoek van eiser. Verder is niet duidelijk geworden hoe verweerders hebben beoordeeld of de aangetroffen informatie onder een bijzonder openbaarmakingsregime valt, en zo ja onder welk. Het is de rechtbank niet gebleken dat verweerders per aangetroffen document of passage daarvan hebben beoordeeld of dit onder een bijzonder openbaarmakingsregime valt, dan wel onder de Woo en zo ja, of er weigeringsgronden van toepassing zijn die zich tegen openbaarmaking verzetten.
Naar het oordeel van de rechtbank hebben verweerders niet aannemelijk gemaakt dat ze de aangetroffen informatie op documentniveau hebben beoordeeld. De algehele uitsluiting van openbaarmaking vanwege gestelde toepasselijkheid van bijzondere openbaarmakings-regelingen acht de rechtbank, mede gelet op de gedetailleerdheid van het Woo-verzoek van eiser enerzijds en de volgens verweerders zeer grote hoeveelheid aangetroffen documenten anderzijds, onvoldoende onderbouwd en gemotiveerd, maar bovenal niet toetsbaar en controleerbaar.
In zoverre gaat de vergelijking met de uitspraak van de Afdeling van 8 februari 2023 niet op, want in die zaak had eiser verzocht om openbaarmaking van de stukken die ten grondslag liggen aan een vordering van de OvJ, die volgens hem ten onrechte in het strafdossier ontbraken. In die situatie is duidelijk dat artikel 30 Sv een bijzondere openbaarmakingsregeling bevat die derogeert aan de Woo en kan het Woo-verzoek integraal worden afgewezen zonder een inventarisatie van de stukken te maken.
Dat er binnen de reikwijdte van deel 1 van het Woo-verzoek wel degelijk (delen) van documenten zijn aangetroffen door verweerders waarvan is gebleken dat deze niet onder een bijzonder openbaarmakingsregime vallen, blijkt ook uit (de bijlagen bij) de besluiten van 5 en 17 december 2025.
De beroepen van eiser zijn, ook in zoverre, gegrond.
Oordeel van de rechtbank over het subsidiaire standpunt van verweerders
8. De rechtbank constateert dat verweerders in de besluiten van 5 en 17 december 2025 hebben toegelicht hoe de zoekslag en inventarisatie hebben plaatsgevonden en op welke zoektermen daarbij is gezocht. Eiser heeft niet aangevoerd dat deze zoekslag onjuist of onvolledig zou zijn geweest, en ook niet dat er onder verweerders meer of andere documenten zouden berusten die relevant zijn voor deel 1 van zijn Woo-verzoek.
Vervolgens hebben verweerders per document beoordeeld of dit valt onder een bijzondere openbaarmakingsregeling. Voor zover verweerders hebben geconstateerd dat dat niet het geval was en de documenten al dan niet gedeeltelijk toch onder de reikwijdte van de Woo vallen, hebben verweerders verder beoordeeld in hoeverre er zich weigeringsgronden van de Woo voordeden die aan openbaarmaking in de weg staan. Op de bij de besluiten van 5 en 17 december 2025 behorende inventarislijsten hebben verweerders steeds per document aangegeven of dit al dan niet (gedeeltelijk) openbaar wordt gemaakt, dan wel of een bijzondere openbaarmakingsregeling van toepassing is of, en zo ja welke, weigeringsgrond van de Woo zich tegen openbaarmaking verzet. Eiser heeft niet aangegeven waarom deze beoordeling en ten aanzien van welk document, geen stand zou kunnen houden. Dat heel veel informatie in de openbaar gemaakte documenten is weggelakt, moet eiser worden nagegeven. Dat is echter ook te verwachten, gelet op de zeer gevoelige informatie waarvan openbaarmaking wordt gevraagd.
De rechtbank is van oordeel dat verweerders - uiteindelijk - op een zorgvuldige wijze hebben besloten op het Woo-verzoek van eiser, en dat het vervolgens op zijn weg ligt om die beoordeling gemotiveerd te betwisten. Daar is eiser naar het oordeel van de rechtbank niet in geslaagd.
Dit betekent dat de beoordeling in de besluiten van 5 en 17 december 2025 in rechte stand houdt.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepen van eiser tegen het niet tijdig nemen van besluiten op zijn bezwaarschriften zijn niet-ontvankelijk.
Het beroep met kenmerk 23/10791 tegen de besluiten van de minister van 15 december 2023, 5 december 2025 en 2 februari 2026 is gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen daarvan in stand.
Het beroep met kenmerk 23/10792 tegen de besluiten van de korpschef van 19 december 2023 en 17 december 2025 is gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen daarvan in stand.
9.1.
Omdat de beroepen gegrond zijn moeten verweerders het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten.
Verweerders moeten deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.811,- omdat de gemachtigde van eiser beroepschriften heeft ingediend en aan de zittingen heeft deelgenomen en omdat de rechtbank ziet deze beroepen als samenhangende zaken. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart de beroepen tegen het niet tijdig nemen van besluiten op de bezwaarschriften niet-ontvankelijk;
- verklaart de beroepen gegrond;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van de besluiten in stand blijven;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- bepaalt dat de korpschef het griffierecht van € 184,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.405,50 aan proceskosten aan eiser;
- veroordeelt de korpschef tot betaling van € 1.405,50 aan proceskosten van eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzitter, en mr. A.G.J.M. de Weert en mr. M.J. Schouw, leden, in aanwezigheid van mr. M.A. de Rooij, griffier, op 17 september 2026 en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Artikel 10.1 van de Wet open overheid (Woo).
Artikel 8.8 en de bijlage bij de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo.
Artikel 8.8 en de bijlage bij de Woo.
Artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder a, van de Woo.
Artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Woo.
Artikel 5.1, vijfde lid, van de Woo.
ECLI:NL:RBZWB:2023:2102.
ECLI:NL:RBZWB:2023:1953.
Artikel 8.8 en de bijlage bij de Woo.
Artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
ECLI:NL:RBDHA:2024:17545 en ECLI:NL:RBDHA:2024:17546.
ECLI:NL:RVS:2025:262 en ECLI:NL:RVS:2025:263.
ECLI:NL:HR:2023:913, r.o. 5.
ECLI:NL:RVS:2020:2609.
ECLI:NL:RVS:2023:490.
ECLI:NL:RVS:2023:490.