Neuralex RechtspraakNeuralex Rechtspraak
Inloggen staging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

ECLI:NL:RBZWB:2026:9157

2026-09-15 Bestuursrecht BRE 26/4851
Geen vernietiging bekend in de formele procesketen

Gegevens

Instantie
Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Uitspraakdatum
2026-09-15
Publicatiedatum
2026-09-22
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedure
Mondelinge uitspraak
Zaaknummer
BRE 26/4851
Type
Uitspraak
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Inhoudsindicatie

Sluiting woning ogv artikel 13b Opiumwet.

Citeert (2)

Geciteerd door (0)

  • geen

Volledige tekst

Volledige tekst (9.771 tekens)
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT


Zittingsplaats Middelburg



Bestuursrecht



zaaknummer: BRE 26/4851


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van
15 september 2026 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen



[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , uit [plaats] , verzoekers
(gemachtigde: mr. W.R. Aerts),


en


de burgemeester van de gemeente Vlissingen, verweerder
(gemachtigde: mr. A.M.M. van Gilst).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Stichting Zeeuwland uit Zierikzee
(gemachtigde: mr. S.J. Houweling).




Procesverloop


1. Met een besluit van 27 juli 2026 (bestreden besluit) heeft de burgemeester verzoekers op grond van artikel 13b van de Opiumwet gelast de woning aan [adres] in [plaats] (hierna: de woning) te sluiten en gesloten te houden voor een periode van drie maanden, met ingang van 1 september 2026. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.



1.1.
De burgemeester heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.



1.2.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoekers, bijgestaan door hun gemachtigde en hun zoon [persoon 1] , de gemachtigde van de burgemeester en de gemachtigde van Zeeuwland, vergezeld door [persoon 2] .



1.3.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beslissing
2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af en legt hierna uit waarom.



Totstandkoming van het bestreden besluit


3. Verzoekers huren de woning van Zeeuwland.



3.1.
Op basis van Meld Misdaad Anoniem meldingen (MMA-meldingen) heeft in 2025 een politie-inval plaatsgevonden in de woning. Daarbij werd (onder andere) ongeveer 150 gram softdrugs aangetroffen in de woning. Naar aanleiding daarvan hebben verzoekers een waarschuwing op grond van artikel 13b Opiumwet ontvangen. Die waarschuwing hield in dat indien en voor zover binnen twee jaar opnieuw een handelshoeveelheid drugs in de woning wordt aangetroffen, in beginsel sluiting van de woning op grond van artikel 13b van de Opiumwet volgt.



3.2.

In april en mei 2026 heeft de politie opnieuw MMA-meldingen ontvangen. Dat heeft geleid tot een doorzoeking van de woning op 17 mei 2026. Daarbij werd (onder andere) 119 gram hennep aangetroffen in de slaapkamer van de zoon van verzoekers.
Op basis daarvan heeft de burgemeester besloten de woning te sluiten voor een periode van drie maanden, namelijk van 1 september tot en met 1 december 2026.




3.3.
De huurovereenkomst van verzoekers is inmiddels buitengerechtelijk ontbonden door Zeeuwland. De zitting bij de kantonrechter zal plaatsvinden op 21 september 2026 en indien nodig volgt een zitting in de bodemprocedure op 14 oktober 2026.




Beoordeling door de voorzieningenrechter



Procesbelang


4. Hoewel de woning inmiddels is gesloten, de huurovereenkomst buitengerechtelijk is ontbonden en verzoekers inmiddels (tijdelijk) ergens anders verblijven, hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter nog wel belang bij hun verzoek om een voorlopige voorziening. De buitengerechtelijke ontbinding is nog niet definitief. Als verzoekers in deze voorlopige voorziening procedure in het gelijk zouden worden gesteld, komt de grondslag voor de buitengerechtelijke ontbinding (voorlopig) te vervallen.



Spoedeisend belang


5. Het gaat om een woningsluiting, die ingrijpende gevolgen heeft voor verzoekers. Er resteert op het moment van de zitting nog tweeënhalve maand sluiting en gebleken is dat de beslissing op bezwaar halverwege oktober 2026 wordt verwacht, zodat daarna in ieder geval nog ruim een maand resteert. Gelet daarop hebben verzoekers naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende spoedeisend belang bij hun verzoek.



Is de burgemeester bevoegd om tot sluiting over te gaan?


6. De burgemeester kan artikel 13b van de Opiumwet toepassen als er in of vanuit een woning in drugs wordt gehandeld (verkopen, afleveren, verstrekken) of als drugs met het oog op die handel in de woning aanwezig is. Als uitgangspunt kan worden aanvaard dat bij aanwezigheid van 5 gram softdrugs de aangetroffen hoeveelheid drugs in beginsel (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering en verstrekking.


6.1.
Gelet op de in dit geval aangetroffen hoeveelheid softdrugs van 119 gram, die de toegestane hoeveelheid voor eigen gebruik ruim overschrijdt, en de omstandigheid dat in de woning andere zaken zijn aangetroffen die duiden op drugshandel, zoals grote hoeveelheden gripzakjes, aanstekers en grinders, en meerdere weegschaaltjes, is de burgemeester bevoegd de woning te sluiten. Verzoekers hebben de bevoegdheid van de burgemeester ook niet betwist. Zij hebben op zitting aangevoerd dat het gestelde eigen gebruik door hun zoon vanwege clusterhoofdpijn alleen in de sleutel van de evenwichtigheid een rol speelt en niet in het kader van de bevoegdheid van de burgemeester.



Mocht de burgemeester gebruik maken van zijn bevoegdheid?

7. De voorzieningenrechter overweegt dat de gronden van verzoekers zich beperken tot de noodzakelijkheid en de evenwichtigheid. Dat de sluiting geschikt is om het daarmee gediende doel te bereiken, staat tussen partijen niet ter discussie. De voorzieningenrechter zal de geschiktheid daarom niet beoordelen.




Is de sluiting noodzakelijk?




7.1.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de burgemeester voldoende heeft onderbouwd dat sluiting van de woning noodzakelijk is ter bescherming van het woon- en leefklimaat en het herstel van de openbare orde. Er is een handelshoeveelheid softdrugs aangetroffen in de woning. Uitgangspunt is dat als in een woning een handelshoeveelheid drugs wordt aangetroffen, aangenomen mag worden dat de woning een rol vervult binnen de keten van drugshandel. In dit geval zijn er ook nog meerdere meldingen van (drugsgerelateerde) overlast binnengekomen bij de politie. Niet gebleken is dat die meldingen allemaal van één persoon afkomstig zijn, zoals op zitting door verzoekers betoogd. Daarnaast zijn er voorwerpen aangetroffen in de woning die duiden op drugshandel, zoals grote hoeveelheden gripzakjes, aanstekers en grinders, en meerdere weegschaaltjes. Bovendien hebben verzoekers minder dan een jaar geleden een waarschuwing ontvangen op grond van artikel 13b van de Opiumwet. Die waarschuwing heeft hen er kennelijk niet van weerhouden de Opiumwet opnieuw te (laten) overtreden.



Is de sluiting evenwichtig?




7.1.
Gelet op de waarschuwing die verzoekers in augustus 2025 hebben ontvangen, konden zij redelijkerwijs op de hoogte zijn van de aanwezigheid van de softdrugs in de kamer van hun zoon, zodat hen hiervan een verwijt kan worden gemaakt. Dat sprake is van een bijzondere binding met de woning, zoals door verzoekers wordt gesteld, is niet gebleken. Op zitting hebben verzoekers desgevraagd aangegeven dat het eigen gebruik van de zoon geen bijzondere binding oplevert met de woning, omdat hij inmiddels ergens anders verblijft en daar ook langere tijd kan verblijven. Inherent aan sluiting van een woning is dat de bewoners de woning moeten verlaten. Dat is op zichzelf geen bijzondere omstandigheid. Het is de eigen verantwoordelijkheid van verzoekers om vervangende woonruimte te vinden. Dat de nadelige gevolgen van de sluiting onevenredig zijn in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen is naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet gebleken.



7.2.
De voorzieningenrechter concludeert dat de burgemeester in dit geval gebruik mocht maken van zijn bevoegdheid en dat de burgemeester geen reden hoefde te zien om nogmaals een waarschuwing op te leggen aan verzoekers of over te gaan tot een voorwaardelijke sluiting.





Conclusie en gevolgen


8. Gelet op het voorgaande wijst de voorzieningenrechter het verzoek af.



8.1.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding en verzoekers krijgen ook het door hen betaalde griffierecht niet terug.



Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 15 september 2026 door mr. A.M.L.E. Ides Peeters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C.F.E.M. Mes, griffier en zal geanonimiseerd worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.













griffier


voorzieningenrechter








Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) van 16 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2922 (r.o. 7-7.1).


ABRvS 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285 (r.o. 9.2).