Rechtbank Zeeland-West-Brabant
ECLI:NL:RBZWB:2026:9155
Inhoudsindicatie
Dit betreft twee verzoeken om een voorlopige voorziening, waarvan één hangende een bestuurlijke lus in beroep en de andere hangende bezwaar voor een aanvullend besluit. Het gaat om de jacht op damherten. In het natura2000-gebied en het voorkeursgebied damherten wordt de vergunning voor een flora- en fauna-activiteit niet geschorst. Het is niet onaannemelijk dat deze vergunning uiteindelijk in stand kan blijven. Bovendien brengt schorsen het risico met zich mee dat de instandhoudingsdoelstellingen voor de Natura2000-gebieden in gevaar komen. In het beheergebied zwervende damherten wordt de vergunning wel geschorst, omdat niet is onderbouwd in hoeverre de verkeersveiligheid in gevaar is en ook niet is aangegeven welke andere maatregelen zijn getroffen om de verkeersveiligheid te waarborgen.
Citeert (2)
- ECLI:NL:RBZWB:2026:6400 Rechtbank Zeeland-West-Brabant 14-07-2026
- ECLI:NL:RVS:2013:CA2877 Raad van State 12-06-2013
Geciteerd door (0)
- geen
Volledige tekst
Volledige tekst (21.255 tekens)
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummers: BRE 26/4724 en 26/4755
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 september 2026 in de zaken tussen
Stichting [verzoeker 1], uit [plaats 1] en Stichting [verzoeker 2], uit [plaats 2] , verzoekers
(gemachtigde: mr. D. Delibes-Vermeulen),
en
het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland
(gemachtigde: mr. [gemachtigde] ).
Als derde-partij neemt aan de zaken deel: Stichting [derde partij] uit [plaats 3] (de [derde partij] ).
Samenvatting
1. Deze uitspraak op de verzoeken om een voorlopige voorziening gaat over de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit, te weten het doden van damherten (de basisvergunning), en een aanvullend besluit dat in de Manteling van Walcheren het doden van damherten 's nachts toestaat (de aanvullende vergunning). Verzoekers zijn het hier niet mee eens. Zij verzoeken daarom om voorlopige voorzieningen en voeren daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter weegt de belangen van verzoekers die pleiten vóór het treffen van voorlopige voorzieningen en de belangen van het college en de [derde partij] die pleiten tegen het treffen daarvan, aan de hand van de gronden van verzoekers als volgt af.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek deels toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Procesverloop
2. Op 18 oktober 2024 vraagt de [derde partij] een omgevingsvergunning voor een flora- en faunavergunning voor het doden van damhert met het geweer. Het college heeft op 10 juni 2025 de basisvergunning verleend. Verzoekers hebben hier beroep tegen ingesteld. Die zaak is op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Op 14 juli 2026 heeft de rechtbank tussenuitspraak gedaan.
2.1.
Aanvullend hierop heeft de [derde partij] een vergunning aangevraagd voor nachtafschot van damherten in en rond de Manteling van Walcheren voor de periode 1 juli 2026 tot en met 15 maart 2027. Deze aanvullende vergunning is verleend op 7 juli 2026. Verzoekers hebben hier bezwaar tegen gemaakt.
2.2.
De voorzieningenrechter heeft de verzoeken op 15 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekers, namens het college [vertegenwoordiger] en de gemachtigde en de [derde partij] en [persoon 1] en [persoon 2] namens de [derde partij] .
Toetsingskader
3. Het is verboden zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit uit te oefenen in bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen. Het doden van damherten is als een dergelijke activiteit aangewezen. Artikel 8.74l van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt voor welke doelen de vergunning kan worden verleend. Dat mag alleen als er geen andere bevredigende oplossing bestaat. Belangrijkste doel in deze zaak is het belang van bescherming van wilde flora of fauna of de instandhouding van natuurlijke habitats.
3.1.
De wettelijke regels en beleidsregels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
De tussenuitspraak
4. Verzoekers verwijzen in hun verzoekschriften veelvuldig naar de tussenuitspraak die de rechtbank heeft gedaan in de bodemzaak tegen de basisvergunning. Zij stellen onder meer dat daarmee vaststaat dat dat besluit, en daarmee ook de aanvullende vergunning, ondeugdelijk is en dat het daarom onwenselijk is dat de jacht doorgaat.
4.1.
De tussenuitspraak houdt inderdaad in dat de basisvergunning niet zonder meer in stand kan blijven. Kort gezegd is de rechtbank van oordeel dat het college het belang van bescherming van de wilde flora en fauna en de instandhouding van natuurlijke habitats onvoldoende heeft aangetoond en de doelstanden niet goed heeft onderbouwd. In de beroepszaak tegen de basisvergunning zijn deze en andere beroepsgronden inhoudelijk behandeld. Het geding zoals dat na deze tussenuitspraak wordt gevoerd, blijft in beginsel beperkt tot de beroepsgronden zoals die zijn besproken in de tussenuitspraak, omdat het inbrengen van nieuwe geschilpunten over het algemeen in strijd met de goede procesorde wordt geacht. Het is niet de bedoeling de verzoekschriftprocedure te gebruiken als instrument om aanvullende gronden in de bodemprocedure in te brengen of al ingediende gronden nader te onderbouwen. De voorzieningenrechter zal zich hiernaar richten.
4.2.
Voor zover het verzoek ziet op de aanvullende vergunning om ’s nachts te mogen jagen, geldt dat er meer ruimte is voor een aanvullende afweging. In bezwaar en beroep kunnen immers alle gronden nog ingebracht en beoordeeld worden. Het ligt wel voor de hand om voor de beoordeling van beroepsgronden die ook al zijn ingebracht tegen de basisvergunning aan te sluiten bij de tussenuitspraak.
De basisvergunning
5. Verzoekers stellen dat uit de tussenuitspraak voldoende duidelijk blijkt dat er gerede twijfel is aan de juistheid van de basisvergunning. Niet zeker is gesteld dat niet in strijd met de Habitatrichtlijn en de Omgevingswet wordt gehandeld. Dit is voldoende aanleiding om deze basisvergunning te schorsen tot zes weken na de einduitspraak in de bodemprocedure.
5.1.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat uit de tussenuitspraak van de rechtbank blijkt dat de onderbouwing van de basisvergunning gebreken kent, maar de rechtbank is ook van oordeel dat die gebreken hersteld kunnen worden. Het college heeft aangegeven dat ze aan de bestuurlijke lus willen meewerken, zodat de voorzieningenrechter daaruit afleidt dat ook het college verwacht dat de gebreken in de motivering hersteld kunnen worden. Na die herstelpoging zou de basisvergunning dus mogelijk van kracht kunnen blijven. Ter zitting heeft het college ook aangegeven dat in de eerste helft van oktober een nadere motivering zal volgen en dat het onderzoek tot op heden niet uitwijst dat de vergunning zelf gewijzigd moet worden. De rechtbank had daarbij de (ambtshalve) bevoegdheid om een voorziening te treffen; uit de tussenuitspraak blijkt dat de rechtbank van die bevoegdheid geen gebruik heeft gemaakt. Dat betekent dat een voorlopige voorziening ten aanzien van de basisvergunning thans alleen nog in uitzonderlijke gevallen toegewezen kan worden.
5.2.
De punten die mogelijk onrechtmatig zijn, zijn uitsluitend of het belang van de bescherming van wilde flora en fauna en de instandhouding van natuurlijke habitats voldoende is aangetoond en of de doelstanden voldoende zijn onderbouwd. Het damhert is niet specifiek beschermd onder de Habitatrichtlijn. Daarentegen is de vergunning verleend ter bescherming van wilde flora en fauna en instandhoudingsdoelen van Natura2000 gebieden. Dat houdt in dat schorsing van de vergunning mogelijk ook in strijd is met de Habitatrichtlijn. Voor de voorzieningenrechter is dat ook aanleiding om de basisvergunning niet te schorsen.
5.3.
Dat doelstanden niet goed zijn onderbouwd is dat evenmin. Na 1 maart mag op de Haringvreter niet meer gejaagd worden. Na 15 maart mag er nog beperkt gejaagd worden in de Kop van Schouwen en de Manteling van Walchteren. Uiterlijk 14 oktober 2026 moet het college de in de tussenuitspraak benoemde gebreken herstellen. Daarna krijgen verzoekers (als eisers in de bodemzaak) vier weken de tijd hierop te reageren. Dat houdt in dat rond de jaarwisseling een einduitspraak is te verwachten. Gelet op het feit dat het nog nooit gelukt is het aantal damherten terug te brengen tot de streefstanden en het jachtseizoen nog loopt, acht de rechtbank het onwaarschijnlijk dat het niet schorsen van de basisvergunning leidt tot lagere aantallen damherten dan de mogelijk aangepaste streefstanden. Bovendien kan de hertenpopulatie als geheel zich naar verwachting gemakkelijk herstellen, mocht de vergunning alsnog vernietigd worden.
5.4.
Gelet op het bovenstaande, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de basisvergunning te schorsen.
De aanvullende vergunning
6. Verzoekers stellen dat ook voor de aanvullende vergunning gekeken moet worden of die aanvullende maatregel wel op basis van een wettelijk belang, te weten de bescherming van de wilde fauna of flora of het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats danwel de verkeersveiligheid als onderdeel van de volksgezondheid, is verleend. Ook hier geldt dat de doelstanden niet realistisch zijn. Bovendien zouden er andere bevredigende oplossingen zijn. Dat laatste moet ook specifiek getoetst worden naar de extra jachtmogelijkheden in de avonduren.
6.1.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de aanvullende vergunning zich beperkt tot extra jachtmogelijkheden in de avond tot 24:00u en geldt voor Natura2000 gebied de Manteling van Walcheren en een aantal omliggende percelen voor de periode tot 15 maart 2027. Daarbij wordt voor de wettelijke grondslag een duidelijk onderscheid gemaakt tussen het Natura2000gebied en de voorkeurszone enerzijds en het beheergebied zwervende damherten anderzijds. In het eerste gebied is het wettelijk belang gelijk aan het wettelijk belang van de basisvergunning, namelijk de bescherming van de wilde fauna of flora of het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats. In het beheergebied zwervende damherten is het wettelijk belang de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van sociale of economische aard.
6.2.
Voor wat betreft de grond dat het wettelijk belang niet goed is gemotiveerd, sluit de voorzieningenrechter voor het Natura200 gebied en de voorkeurszone aan bij de basisvergunning. Beide vergunningen dienen immers hetzelfde wettelijke belang, voor zover het de afschot binnen het Natura2000-gebied betreft. Het wettelijk belang is in dit gebied voldoende onderbouwd om de aanvullende vergunning op dit moment niet te schorsen. Mogelijk worden door het schorsen namelijk beschermde flora en fauna en natuurlijke habitats aangetast. Het college moet dat nog wel nader onderbouwen in de beslissing op bezwaar.
6.3.
Voor wat betreft de doelstanden ziet de voorzieningenrechter ook geen aanleiding te schorsen. Ook hier geldt dat de aanvullende vergunning tot 15 maart geldt, in een gebied waar de doelstanden al sinds jaar en dag niet zijn gehaald. De kans dat voor de uitspraak in de bodemzaak de eventuele lagere doelstand al is gehaald, acht de voorzieningenrechter klein.
6.4.
Ook wat betreft de overige bevredigende oplossingen geldt dat hieraan lijkt te zijn voldaan. In de tussenuitspraak is al vastgesteld dat het college voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat afschot bijdraagt aan populatiebeheer. Specifiek voor de Manteling van Walcheren is daarbij aangegeven dat dat met name kwam door de nachtafschot. Verzoekers hebben ook geen alternatieven aangedragen voor met name de nachtafschot, zodat de voorzieningenrechter vooralsnog uitgaat dat ook specifiek de nachtafschot een bevredigende oplossing is in dit gebied.
6.4.
In het beheergebied zwervende damherten is de verkeersveiligheid neergelegd als wettelijk belang. In het bestreden besluit is ook aangegeven dat voorkomen moet worden dat zich nieuwe populaties damherten vestigen, maar ter zitting heeft het college aangegeven dat alleen de verkeersveiligheid als wettelijk belang voor de vergunning geldt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder onvoldoende onderbouwd en aannemelijk gemaakt dat het verlenen van de vergunning nodig is in het belang van de openbare veiligheid en meer specifiek de verkeersveiligheid. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat het aantal verkeersongevallen met damherten toeneemt, naarmate de populatie van het aantal damherten toeneemt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder echter niet met objectieve en verifieerbare bewijsstukken onderbouwd dat in het zwerfgebied een zodanig risico voor de verkeersveiligheid bestaat, dat het nodig is om de damherten te doden om voldoende verkeersveiligheid te waarborgen. Verweerder heeft in het bestreden besluit niet of onvoldoende onderbouwd wat de omvang van de aanrijdingen met damherten in het zwerfgebied is, hoe ernstig de aanrijdingen zijn en welke schade (materiële – of letselschade) daaruit voortkomt. Gelet hierop heeft verweerder thans onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarom de damherten in het zwerfgebied een zodanig onaanvaardbaar gevaar vormen voor de verkeersveiligheid dat het doden van de damherten redelijkerwijs noodzakelijk kan worden geacht.
6.5.
Ter zitting heeft het college aangegeven dat dit motiveringsgebrek bij de beslissing op bezwaar hersteld kan worden, maar de voorzieningenrechter is er niet van overtuigd dat dan wel een sluitende onderbouwing kan worden gegeven. De ter zitting door de Faunabeheerseenheid genoemde twee ongevallen in het afgelopen jaar rechtvaardigen in ieder geval niet het doden van de damherten in het zwerfgebied. Daarbij is voor de voorzieningenrechter ook van belang dat niet duidelijk is of alternatieven voor het verkleinen van de kans op aanrijdingen zijn onderzocht.
Conclusie
7. Gelet op het bovenstaande leidt de belangenafweging ertoe dat de voorzieningenrechter van oordeel is dat de basisvergunning voorlopig in stand kan blijven. De aanvullende vergunning zal hij schorsen voor zover het gaat om het beheergebied zwervende damherten, omdat het wettelijke belang en andere bevredigende oplossingen daar onvoldoende zijn onderbouwd.
7.1.
Dat het verzoek wordt toegewezen, betekent dat er aanleiding is voor een proceskostenvergoeding en teruggave van het griffierecht. Het college moet aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht (voor één zaak) vergoeden. Ook krijgen verzoekers een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. Het college moet die vergoeding betalen. De vergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, beide met een waarde per punt van € 934,-), bij een wegingsfactor 1. Toegekend wordt € 1.868,-.
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening inzake de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van 10 juni 2025 af;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening inzake de omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit van 7 juli 2026 toe;
- schorst de omgevingsvergunning van 7 juli 2026 voor zover het gaat om het beheergebied zwervende damherten tot twee weken na de beslissing op bezwaar;
- laat de omgevingsvergunning van 7 juli 2026 voor het overige in stand;
- draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,- te vergoeden;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T. Peters, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. drs. R.J. Wesel, griffier, op 22 september 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Omgevingswet
Artikel 5.2. (afbakening vergunningplicht artikel 5.1)
1. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1 worden de grenzen van artikel 2.3, derde lid, in acht genomen. Daarbij kunnen voor:
een omgevingsplanactiviteit,
een ontgrondingsactiviteit,
een milieubelastende activiteit,
een lozingsactiviteit op:
1°.een oppervlaktewaterlichaam,
2°.een zuiveringtechnisch werk,
een wateronttrekkingsactiviteit,
een beperkingengebiedactiviteit met betrekking tot een lokale spoorweg,
een Natura 2000-activiteit,
een flora- en fauna-activiteit,
een jachtgeweeractiviteit,
gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, in het omgevingsplan, de waterschapsverordening of de omgevingsverordening van de aanwijzing kan worden afgeweken.
2. [.]
3. Bij de aanwijzing van gevallen op grond van artikel 5.1, eerste en tweede lid, kunnen voor:
een Natura 2000-activiteit,
een flora- en fauna-activiteit,
een jachtgeweeractiviteit,
een valkeniersactiviteit,
gevallen worden aangewezen waarin, binnen bij die aanwijzing aangegeven grenzen, bij ministeriële regeling, van de aanwijzing kan worden afgeweken.
Besluit activiteiten leefomgeving
Artikel 11.54. (aanwijzing vergunningplichtige gevallen andere soorten: schadelijke handelingen)
1. Het verbod, bedoeld in artikel 5.1, tweede lid, aanhef en onder g, van de wet, om zonder omgevingsvergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten, geldt voor:
a. het opzettelijk doden of vangen van in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder A; [.]
Het damhert staat op in Bijlage IX onder A. Besluit activiteiten leefomgeving
Besluit kwaliteit leefomgeving
Artikel 8.74l. (beoordelingsregels flora- en fauna-activiteit: andere soorten)
1. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54 van het Besluit activiteiten leefomgeving, wordt de omgevingsvergunning alleen verleend als:
a.er geen andere bevredigende oplossing bestaat;
b.de activiteit nodig is:
1. in het belang van de bescherming van de wilde flora of fauna, of in het belang van de instandhouding van de natuurlijke habitats;
2. voor het voorkomen van ernstige schade aan met name gewassen, veehouderijen, bossen, visgronden, wateren of andere vormen van eigendom;
3. in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten;
[.]
de activiteit geen afbreuk doet aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
2. Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een flora- en fauna-activiteit als bedoeld in artikel 11.54, eerste lid, van het Besluit activiteiten leefomgeving tot beperking van de omvang van een populatie van dieren van soorten als bedoeld in dat lid, worden bij de toepassing van het eerste lid, aanhef en onder b, alleen de belangen, genoemd in dat onderdeel onder 1°, 2°, 3°, 7°, 9° en 13°, in aanmerking genomen.
3. Een omgevingsvergunning als bedoeld in het tweede lid wordt alleen verleend aan een [derde partij] , tenzij de noodzaak ontbreekt voor het verrichten van de activiteiten door tussenkomst van een [derde partij] . In dat geval kan de omgevingsvergunning ook worden verleend aan een wildbeheereenheid of aan anderen.
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 14 juli 2026, ECLI:NL:RBZWB:2026:6400.
Artikel 5.1, tweede lid onder g van de Omgevingswet.
Artikel 11:54,eerste lid onder a van het Besluit activiteiten leefomgeving.
Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 12 juni 2013, ECLI:NL:RVS:2013:CA2877.